Verhalen

Herman de Jong

Een Mooie Zondagmiddag

Er waren eens een jongetje en een meisje.

Het jongetje was vijf jaar en het meisje ook.

Het waren tweelingen die helemaal niets op elkaar leken.

Het jongetje, dat was Klaas, had zwart haar net als zijn vader.

Het meisje Melissa, had blond haar net als haar moeder.

Het waren twee schattige kinderen, dat zei de hele buurt.

Ze waren net vijf geworden. Hun verjaardag was net achter de rug.

Pa en Ma waren nog maar enige jaren in Canada en hadden dus niet al te veel geld. Er moest een huis gekocht worden, want huren was maar geld weggooien. Maar Moeder had het hele jaar al wat dollardjes in een potje gedaan. Dan maar een stukje vlees minder, gehaktballen kon ook wel. En als ze de groceries deed zocht ze naar de goedkoopste bananen en sinaasappels. Wat geeft het ook als de bananen een beetje eerder zwart werden.

Zo, de kinderen kregen elk een mooie driewieler op hun verjaardag.

Wat waren die kindertjes blij. Het waren wel tweedehands fietsjes, maar dat ziet een kind niet. Vader Pieter had ze weer netjes geverfd. Beide fietsjes waren nu rood. Tweeling fietsjes.

Klaas stond met grote ogen naar zijn fietsje te kijken.

Hij aaide het stuur. Op zijn hurken ging hij langdurig naar de trappers kijken. Wat zie je toch, zei zijn vader. Daar zet je je voetjes op en dan gaan ze rond, zei Klaas, maar ik begrijp niet hoe ze rondgaan. Dat probeerde vader uit te leggen, maar het jonkie snapte er niets van. Melissa reed het trottoir al op. Net alsof ze altijd een fiets gehad had. Maar in het trottoir Lagen de stukken cement wat schots en scheef. Voorzichtig hoor, Melissa, riep moeder, je gaat veel te hard. Maar het was la te laat. Het fietsje kantelde en Melissa vloog er af. Haar knie bloedde en ze had een schram op haar arm. Maar ze was erg dapper. Hoewel haar lipjes trilden, kon ze haar tranen inhouden. Het was Klaas die ging huilen toen hij die bloederige knieën zag. Nou ga ik niet meer fietsen, snikte hij, want als mijn fiets ook omvalt, dan krijg ik ook een bloedknie.

Maar na een paar dagen fietste hij net zo dapper als Melissa

Ze mochten de straat niet uit en natuurlijk, altijd op het trottoir blijven. Vlak bij hun huis was een drukke straat. Er was een lumber yard aan die straat en daarom was er veel verkeer. Klaas en Melissa waren erg gehoorzaam. Ze stopten hun fietsjes altijd precies waar het trottoir eindigde bij de drukke straat. Moeder was er wel gerust over na een paar dagen. Altijd keerden de kinderen terug bij de oversteek. Ze gingen van hun fietsjes af, draaiden ze, en reden terug.

Het was een mooie Zondagmiddag. Het was feest vandaag. Opa en Oma waren gekomen, helemaal uit Nederland. ‘s Morgens waren ze met zijn zessen naar de kerk geweest. Het was maar drie minuten lopen naar die kerk. Dichterbij kon het al niet.

Oma deed net alsof ze de preek verstond, zat aandachtig te luisteren. Opa was wat ongeduldiger, die bladerde door de Engelse bijbel op zoek naar woordjes die hij kon herkennen. Klaasje en Melissa zaten tussen hen in. Er was toen nog geen Zondagschool en die kindertjes maakten elke zondag twee kerkdiensten mee. Klaas keek vol verwachting naar Oma’s tasje.

Van vader en moeder kregen ze elk twee pepermunten, maar Oma had zuurtjes in haar tas. Lekkere Hollandse zuurtjes waar je heel lang op kon zuigen. Ze gingen een hele preek mee.

Nu was het Zondagmiddag en vader en moeder en Opa en Oma zaten lekker achter het huis thee te drinken. Oma had stroopwafels meegenomen, een lekkernij die je in Canada nog niet kon krijgen, want het stadje had nog geen Hollandse winkel. Klaas en Melissa hadden al twee wafels op en gingen en poosje op hun fietsjes rijden. Voorzichtig hoor, zei Opa. Ze wisten best wat dat betekende want moeder zei dat ook zo vaak. Het betekende dat ze niet van het trottoir af mochten komen. Toen de kinderen weg waren, zetten Opa en de vader hun gesprek voort. Natuurlijk ging het over de kerk, de kerk in Holland. Opa was niet erg tevreden. Dominees van het likmevestje zei hij, ze komen met de gekste dingen tevoorschijn.

Oma en de moeder mengden zich nu ook in het gesprek. En zo vergaten ze helemaal dat Klaas en Melissa nog niet teruggekomen waren.

Moeder ineens zenuwachtig. Ze sprong op en rende langs het huis.

Was me dat even schrikken! Hoe had ze de kinderen nu zo lang kunnen vergeten. Dat kreeg je als Opa over die dominees begon.

Ze slaakte een zucht van verlichting. Gelukkig, ze zag de kinderen fietsen aan het eind van de straat. Joe–oe, riep ze. Klaas stak zijn handje omhoog en wuifde naar zijn moeder. Melissa was niet zo liefderijk. Moeder ging terug naar de backyard en kwam Opa tegen.

Zorgelijk vroeg hij: zijn ze er? Ja, hoor vader, maar dat had ik ook wel verwacht, het zijn zulke gehoorzaam kinderen. Je weet het nooit, zei Opa, kinderen zijn kinderen. Jij hebt vroeger ook gekke dingen gedaan, die we niet van je verwacht hadden.

Nu ging moeder elke vijf minuten even naar de kinderen kijken.

Maar daar kwam de buurvrouw even praten, Die had net een baby’tje gehad. Oman wilde dat baby’tje graag zien, en met zijn vieren gingen ze binnen bij de buurvrouw. Nou dat werd natuurlijk eventjes aanpraten want Opa en de vader van buurman hadden nog voor dezelfde maatschappij gewerkt. Ineens sloeg de moeder van Klaas en Melissa de hand voor de mond. De Kinderen! Vlug rende ze naar buiten. De moeder keek links en keek naar rechts.

Oh, Oh, de kinderen waren niet meer op het trottoir. De fietsjes stonden aan het eind van de straat, bij de drukke weg, waar auto’s snel voorbijreden. Ontdaan kwam ze naar de achtertuin en jammerde: ik zie de kinderen niet meer, ze zijn weg! Pieter, haar man en Opa renden naar de weg. Opa nam de leiding. Pieter jij naar links en ik naar rechts. Ze kunnen nooit ver weg zijn met die kleine voetjes. Moeder Klazina pakte de fiets en joeg de straat uit. Waar waren haar kinderen! Allerlei nare dingen vlogen door haar hoofd. Een auto stopt, ziet die mooie kleuters, vliegensvlug worden de kinderen van de fietsjes getild en verdwijnen in de auto. Jo hoort zulke rare dingen tegenwoordig. Maar hier, in dit kleine plaatsje? Zoiets zal hier toch niet gebeuren. Ze fietst Pieter voorbij. O Pieter, waar zijn ze toch! Hoe kunnen ze zo ver weg zijn ineens. Zo vlug kunnen ze toch niet lopen. Misschien zijn ze binnengegaan bij de Rozemas of bij Missus Johnson. Pieter zegt: Vader en ik gaan overal vragen, fiets jij de straten maar af, en niet te vlug fietsen Klazina, want misschien spelen ze ergens in een tuin. Nu zijn er ook al buren aan het zoeken. Iemand heeft de OPP gebeld, want ineens verschijnen er twee politieauto’s. Nou ja, in zo’n kleine stad hebben de agenten Zondags niet al te veel te doen. Deuren en ramen van huizen gaan open. Wat moeten die politieauto’s! Zitten ze achter een drugdealer aan? De agenten vragen de mensen die bij de straat staan of ze twee kleine peuters hebben gezien. Een jongen en een meisje. Eindelijk hebben ze succes. Missus Henderson had nog gedacht: wat hebben die kindertjes mooie kleertjes aan op Zondag, ja, ja, ze liepen naar de hoofdweg. Langzaam rijdt de politieauto langs de drukke hoofdweg, de highway die door het stadje loopt Niets te zien Ondertussen zijn Pieter en Klazina teruggegaan naar huis Je kunt nooit weten of ze al teruggekomen zijn. Maar nee, Oma zit op de stoep en wrijft in haar ogen. Die lastige tranen ook. Daar komt Opa ook aanhollen. Nog niets? Vraagt hij met bevende stem. Klazina gaat in huis. Hebben ze zich misschien in de basement verstopt? Maar ook zijn ze niet in de basement. Dan komt ze in de keuken en ziet ineens twee bekertjes naast de zink. He, die stonden er niet toen zij thee ging halen. En kijk, een van de keukenstoelen staat niet in het lid. De kinderen gebruiken die stoel om bij de kraan te komen. Plotseling rinkelt de telefoon. Met een snik neemt ze de hoorn op. Clara? Yes? This is Reverend Andrews, Jullie Klaas en Melissa zitten hand aan hand in jullie bank in de kerk. Ik vond dat een beetje ongewoon en daarom bel ik maar even.

Pieter en Klazina rennen naar de kerk aan Mainstreet.  Klazina rilt. De auto’s vliegen voorbij, en hier staken haar kindertjes die drukke straat over.

Bij de kerkdeur staat de dominee met de twee kinderen. Klazina drukt de kinderen tegen haar boezem, zoent ze om buurten. De dominee kijkt glimlachend toe. Klaasje begint natuurlijk weer te snikken van al die emotie. Hij is zo’n teergevoelig jongetje. Nu moet Melissa wel het verhaal doen.

Nou heel gewoon he Mama en Papa.

Klaas had dorst en toen gingen we naar huis hee.

Toen wilde Klaas eerst met zijn trein spelen in de basement en ik ging met hem mee. Maar ik vond er niets aan hoor om met die trein te spelen … ik had toch mijn fietsje?  Ik trok Klaasje mee en we gingen naar de tuin om Mama te vertellen dat we weer gingen fietsen. Maar de stoelen waren leeg hee. Klaas begon natuurlijk direct weer te blèren. Maar ik zei: ze zijn vast al naar de kerk. Oma ook en die heeft lekkere zuurtjes. Toen wou Klaas wel mee, hoor! Nou hee, en toen zijn we naar de kerk gehold. Maar jullie waren daar ook niet en toen zijn we alvast maar gaan zitten. Klaas zei: ze zullen zo wel komen. En toen kwam de dominee eraan. Hij zei; Jullie zijn veel te vroeg hoor. De kerk begint pas over een uur. Kom maar mee ik zal je Mammie wel even bellen.

Even later waren ze weer thuis. Vader Pieter vertelde het hele verhaal aan Opa en Oma. Hij was maar wat trots op zijn tweeling. Ze kregen elk nog een stroopwafel en mochten deze keer thuisblijven bij Opa en Oma. Gaan we mooi met jou treintje spelen, zei Opa.

En Melissa en ik gaan de buurt verkennen, zei Oma.

Lopen of fietsen, zei Opa ondeugend.

Oma zei: hou je toch stil Opa, naar de kerk gaan is toch geen zonde.

SHARE THIS:

Comments

Leave a Reply

Use this reply form for easy communication with Henry de Jong. Replies are only made public, as Comments, when they are of general interest. Other greetings, corrections, questions and remarks will be privately and gratefully received and acted on, with any further communication continuing in private.

Your email address will not be published. Required fields are marked *

Thank you for visiting Middledom.