Verhalen

Herman de Jong

Van Geslacht tot Geslacht

Het jaar de Heeren, 1478.

Het rumoer trok zich terug binnen de stadsmuren. De mensen mopperden. Het lichaam aan het galgetouw was al te gauw stil geworden. Maar Jan Korvernaarszoon had het verdiend. Heette het niet: hij die een vrouw verkracht, worde veracht en sine lijve een vracht? De jonge vrouw die woelend leven in zich voelde, had haar vuisten gebald tegen het bengelende lichaam. Die kerel, hoe had hij met allerlei vertelsels haar hart week willen maken. Maar ze moest hem niet. Toen had hij haar gegrepen …

Het kind werd geboren en na de zoogtijd door de zusters van het Heilige Lichaam opgenomen in het klooster. Toen het schandekind tien was, klauterde hij over de hoge kloostermuur. Er werd niet naar hem gezocht. Het was een baldadige knaap en de zusters waren al lang blij dat ze hem kwijt waren. De jonge Jan Korvenaarsz. werd een gewiekste handelsman in ganzen, eenden en kippen. Hij trok door de contreien van het ambt Utrecht en die niet wisten van zijn schande, gaven hem goedschiks een nacht onderdak. Jan kon smeuïg vertellen over mensen in andere landschappen en men hoorde zijn verhalen aan ‘meter de monde wiedde open’.

Het zigeunervolk nam hem op en een vurige, gitzwarte meid schonk hem een zoon wiens handelsgeest dat van de vader ver overtrof. Jan Korvenaarsz. junior stal paarden van het Nassau leger en verkocht de magere beesten, nadat hij ze flink gevoerd had, duur aan boeren in de omtrek. Later stal hij dezelfde paarden weer uit de weilanden. Een voor een reed hij ze naar de Veluwse bossen, waar hij ze voor een paar maanden opsloot in een oude schuur. Hij gaf zijn zoon, die hij ook weer Jan genoemd had, opdracht goed op ze te passen. Toen de tijd rijp was om ze weer te verkopen, werden die paarden de ondergang van de vader. Men vindt in een oud manuscript: “Die peerden inde die veerschip over het Ye werden zheer bange en konden op de holle niet en slaen so daer wateren rondomme whaeren, ende dat scheepken mit die veerman ende ene zheer zwarte kherel verzonk. Die peerden swemden naar den oever, ende die twee lieken zijn nimmer vonden.”

Drie geslachten later duikt de naam Jan Korvenaars op in de kapiteinslijst van de Oost-Indische Compagnie. De man moet een geweldige handelsgeest gehad hebben, want de Heeren Zeventien hielden hem aan ondanks het feit dat: “Deze Spaens-ghelijkende herel mit sijne swaerte ogen ende haeren nicht bekwaem was tot enige Godsdienstighe predicaties tot zhijner volk, daar hij mit die ijselijkse kreten ende vloeken gelijk Petrus zhijn sondige zeemannen mitter ene grote sweerd die oren afhiew tot bestraffinge der zonden.”

Vanwege de vele klachten van de bemanningen hielden de Heeren hem toen hij ouder werd ‘op de wallen,’  en kapitein Jan verzoop zijn fortuin en kwijnde weg in het ‘armhuis’ aan de Wetheringsche Schans. “Sijne dochters Maaike en Griete, mits-gaders sijne enighe soon Jan, eene koopman aan de Spui ende eene zheer gevoelige Christelijke man,” vonden het blijkbaar onnodig hun vader ‘bij die kerke’ te begraven,” en zo ziet men nog zijn steen op het armenkerkhof in Amsterdam.

Ongeveer 120 jaar later woonde er een Jan Korvenaars in de schone veste Groningen. Hij was een van de rijkste kooplieden in de Stad en was ‘menig jaar lang’ voorzitter van de Groninger Rederijkerskamer. Hij schreef ‘alderaardichste en strae-lende gedichten, en zijn verhalen sprankelden als het edele vocht dat rijkelijk gedronken werd terstonde van de heer-lijkste rederijkers avonden.’ Op middelbare leeftijd had deze gepruikte meneer Jan vele Wildervanckse landouwen verworven, alwaar turf werd gestoken. De veenarbeiders en hun bazen waren doodsbenauwd voor hem. Maar ze merkten al gauw dat de koopman met zijn gitzwarte ogen zijn strengheid verloor als men hem op de praatstoel kreeg. “Hij zat dan mit de kroeke jenever tussen de knijen zo alderaardigst over allerhande zoaken te vertell’n dat wie mit open mond noar hom luusterden.”

De zoon van deze Groninger koopman was ene Dr. Johannes Iverdinck Korvenaars, Professor Literaire aan de Universiteit te Leiden. Alweer iemand die bezig was met de letteren. Net als zijn vader dronk hij als een kanon, en nadat hij diens kapitaal verzwolgen had, verdronk hij op een goede nacht in een van de Leidse grachten. De professeur had zes dochters en evenveel zonen. Dat grote gezin verspreidde zich rap over heel Nederland en zou waar-schijnlijk in de doofpot der vergete-lijkheid zijn geraakt, ware het niet dat een afstammeling van dit vroegere zo beroemde Korvenaarsgeslacht (waarvan velen nu aan lagerwal waren geraakt), onze aandacht verdient.

In het jaar 1946 wordt er in het gezin van Lieuwe Korvenaar, woonachtig te Finsterwolde, provincie Groningen, een jongetje geboren. De blonde Friese boerenarbeider staat verbaasd naast de wieg en fluistert tegen zijn vrouw: Hoe bestaat het Mieke, pikzwart haar en gitzwarte ogen. Het kon warempel wel een zigeunertje wezen, nou?

In 1953 emigreerden de Korvenaars naar Canada. Lieuwe had genoeg van de stoense, krenterige Groninger boeren. Was hij niet Gereformeerd geweest, dan hij had zich zeker bij de Communistische Partij aangesloten. In Canada groeide het tengere zoontje Jan op tot een fikse knaap. Als zijn broertjes en zusjes in de eerste weken van de zomer met roodverbrande gezichten rondliepen, werd Jan’s gezicht alleen maar wat bruiner. Nee, verbranden deed hij niet – alsof er Zuidelijk bloed in hem vloeide.

Toen hij acht jaar oud was, zag moeder Mieke haar hele kroost op een zaterdagmorgen op het grasveld zitten. Kijk nou toch es, dacht ze verbaasd, daar zitten al die oudere kinderen met open mond naar het kereltje te luisteren. Waar haalt hij het vandaan. Als Jan op vijftienjarige leeftijd Zondagschool ‘teacher’ wordt, is het voor vader en moeder een uitgemaakte zaak dat Jan dominee moet worden.

Maar Jan heeft een andere eigenaardigheid. Net als de andere kinderen heeft hij al vroeg een krantenwijk om geld te verdienen voor een nieuwe fiets of een tape recorder. Maar Jan koopt geen fiets. Nooit komt hij aan zijn spaarcentjes. Wat moet je met al dat geld, vraagt vader. Jan lacht maar wat! Als hij zestien is rommelt hij rond op het ‘used car lot’ van de Ford Dealer Johnson.

Er staat een auto die Meneer Johnson niet aan de straatstenen kwijt kan. “Als je die auto voor $500 kunt verkopen, geef je mij de helft ervan en de rest mag je houden,” zegt Johnson. De volgende dag verkoopt Jan de auto voor $750 en brengt $250 naar meneer Johnson. De handelaar is in hem geboren en in zijn vrije tijd verdient hij meer dan zijn vader. Dat komt goed uit, want vader Lieuwe zal hem niet kunnen helpen om Calvin College en Seminary te laten doorlopen. Jan was liever autoverkoper gebleven, maar altijd had moeder gezegd dat hij dominee moest worden.

In 1977 is Jan afgestudeerd. Hij krijgt een beroep naar een klein stadje in Ontario. Tjonge, wat kan dat kereltje met zijn gitzwarte haren preken! Hij wordt door de gemeenteleden op de handen gedragen. Ouderling Kalfsbeek zegt: een jonge dominee met zulke gaven, die houden we hier niet lang. De gemeenteleden vinden het enkel wat vreemd dat hij van een dominees salaris een Mercedes Benz kan rondrijden. En in zijn garage staat ook nog een BMW-sportwagentje. Men vindt het ook eigenaardig dat dominee op zijn vrije maandag spoorloos verdwijnt. Totdat een ouderling in de naburige grote stad een auto koopt en hem daar achter een bureau in een verkoopkantoortje ziet zitten. Het loopt als een vuurtje daar de gemeente. Ouderling Kalfsbeek is een wijze man.  “Dat moet hij weten wat hij met zijn vrije tijd doet, zolang het gemeentewerk er niet onder lijdt, moesten we hem maar rustig zijn gang laten gaan … we willen hem toch niet kwijt?”

Maar ze werden hem wel kwijt, nadat Jan verscheidene beroepen had afgeslagen. Hij komt terecht in een van de grootste kerken in Grand Rapids. Men schreide hete tranen in Ontario, maar het moest er toch een keer van komen. Een diaken zei: daar zal hij voor die malle fratsen wel geen tijd hebben. Maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan …

Elke Zondag luisteren 1200 mensen ademloos naar Jans preken. Natuurlijk zit hij nu op een goed salaris en daarom verwondert het niemand dat de pastorie in Grand Rapids steeds voller wordt met antieke klokken. De sjiek, met zorg gekapte dames die met mevrouw van de dominee elke week hun bijbelclub tussen al dat antiek houden, merken helemaal niet dat van tijd tot tijd sommige klokken verdwijnen en andere ervoor in de plaats komen. Dominee moet wel vaak es naar Detroit. Dan vertrekt hij midden in de nacht met zijn grote ‘van’. Men vroeg zich af: wat zou onze dominee daar nu mee vervoeren?

Drie kinderen zijn er nu. Leuke kinderen, die zich al vroeg welbewust door het leven begeven. Janine zal onderwijzeres worden, want ze kan zo mooi vertellen. Leonard heeft ineens honderden dolertjes op de bank. Vader Jan is daar ongerust over. Hoe komt hij aan al dat geld? Het blijkt dat Leonard kaartjes met baseball-helden koopt en verkoopt. Jan junior is de oudste. Hij heeft de blonde haren van zijn grootvader. Hij is wat men noemt een mooie jongen. De meisjes zijn gek op hem en hij op de meisjes.

Als Jan tweedejaars Calvin College student is krijgt het fijne domineesgezin een harde klap. Jan Senior wordt uitgenodigd voor een gesprek met de president. Als deze man aarzelend met het probleem voor de dag komt, trekt Jan wit weg. Jan Jr. mag het college niet langer bezoeken…er kwam een meisjes-studente klagen bij de president!

‘s Avonds vertelt hij het aan zijn vrouw. Door haar tranen heen zegt ze stotterend, “waar heeft zo’n jongen dat nou van…”

Het wordt stiller in de pastorie. Toch is de dominee soms weer op de oude manier joviaal, en praat al te druk. Alleen mevrouw weet dat hij achter een rij boeken een fles whiskey verborgen houdt…

SHARE THIS:

Comments

Leave a Reply

Use this reply form for easy communication with Henry de Jong. Replies are only made public, as Comments, when they are of general interest. Other greetings, corrections, questions and remarks will be privately and gratefully received and acted on, with any further communication continuing in private.

Your email address will not be published. Required fields are marked *

Thank you for visiting Middledom.