De enige vreugde die ik tijdens die lange studieavonden ondervond was het uitzien naar de Zaterdag. Het boerderijtje was mijn eigenlijke tehuis geworden. De stilte van de onbewoonde wereld onder aan de dijk maakte mijn ziel rustig en het vrolijke meisje schiep een blijdschap in me die de hele week doorwerkte.Veel zin om mijn eerste vakantieweek thuis door te brengen had ik niet. Moeder zou me duizenden vragen stellen en mijn plechtige, stille vader zou weer net doen alsof er niets in het leven veranderde of mocht veranderen. Dag aan dag gemeentehuis en de regelmaat van het geziens en kerkleven gaven hem een stabiliteit waarin hij zich zo veilig voelde dat de rest van de wereld hem niet aan ging. Zijn houding was er een van doorlopende zelf beveiliging. Pas later zou ik weten dat hij opzettelijk zijn leven zo inrichtte … ik zou hetzelfde doen!
Ik kon nu tenminste mijn vader weer eerlijk in de ogen kijken. Ik studeerde weer! Mijn leven liep weer geheel volgens zijn plan. Ik ging hem heus niet vertellen dat alleen de wekelijkse bezoeken aan Janneke mij hadden doen besluiten het jaar in Dokkum vol te maken.
Misschien kon ik gedurende de tweede vakantieweek een paar dagen naar de boerderij gaan in plaats van kou te lijden op mijn zolderkamertje in Dokkum. Hoe zou Janneke dat vinden? Ik zag haar ogen al stralen. “Jan, drie hele dagen … mieters, joh!”
“Nog twee dagen, dan zit het erop,” zei ik tegen mijn kostjuffrouw toen ze na het avondeten haar ogen opende na een heel lang stil gebed. Terwijl ze bad, had ik de Friese Kerkbode die ze elke Woensdagavond naast mijn bord legde al op mijn schoot gelegd en had alle tijd de concertenberichtjes te lezen.
“Nou, ik ga maar es weer naar boven,” geeuwde ik. “U studeert veel te hard, zo hoeft het toch ook niet? Waarom gaat U vanavond niet mee naar de Kerstuitvoering van ons kerkkoor, U houdt immers zo van muziek. Er zingt nog wel een sopraan uit Groningen..”
Een sopraan uit Groningen … wie kon dat zijn? Haastig keek ik nog eens door de kerkbode. Ik voelde het bloed naar mijn gezicht stijgen. Mieke van de Wetering, sopraan! Beneden hoorde ik de kostjuffrouw haar jas uit de kast halen. “Joe…joe, Jan, je gaat dus niet mee?” Ik riep dat ik er geen gat in zag omdat ik morgen een proefwerk had. “Nou, dan ga ik maar, als ik terugkom drinken we wel een bakje koffie.” Ook dat nog … moest ik de hele avond op een droogje zitten!
Van studeren kwam niets meer. Eens had ik haar op het orgel begeleid in de Zuiderkerk. Het was een uitvoering zoals het deze avond zou zijn: drie koorstukjes gevolgd door een solo van de jonge sopraan, en zo ging dat dan door. Als het koor zong verdwenen we schielijk achter de orgelkast die op het galerijtje boven de preekstoel stond. Beneden in de kerk bevroedde niemand dat die jonge organist en dat jonge sopraantje ook nog andere dingen bij het hoofd hadden dan zingen en spelen!
Om negen uur besloot ik toch te gaan. Tijdens de pauze zou ik me wel onopgemerkt tussen het publiek kunnen voegen. Achter in de kerk zou wel een zitplaats open zijn. Ik wilde niet dat Mieke me zou zien. Er was niets meer tussen ons. Ik was alleen maar nieuwsgierig hoe haar stem zich ontwikkeld had!
Ik had niet gerekend op een volle kerk. Het was pauze en de luisteraars waren zich aan het vertreden. Ik ging zo maar ergens gaan zitten. “Daar zat ik toch,” zei een struise dame met een geweldige boezem. “Pardon,” zei ik, ” dan ben ik zeker in de verkeerde bank gaan zitten.” Ze knikte me genadiglijk toe terwijl ze zich zuchtend neerzette, de slippen van haar winterjas achter zich omhoogtrekkend zodat de jas niet zou kreukelen … moeder deed dat net zo!
Dan maar staan. Een oudere man stond naast me en duwde me een programma onder neus. “Hier, mag jij hebben” zei hij nogal luid, “ik ga weg want ‘k vindt er geen barst aan. Ze hebben zeker nog nooit van Bach of Handel gehoord. Alleen dat sopraantje…tjonge, wat een famke”. Hoofdschuddend verdween hij door de deur.
Nadat het koor de gebruikelijke drie nummertjes gezongen had, was het Mieke’s beurt. Ik had verwacht dat ze beneden bij de piano zou zingen, maar zag haar ineens boven de preekstoel naast het orgel. Als ik haar kon zien, zou ze mij ook kunnen zien! Ik dook onderuit. Ze had warempel haar lichtblauwe jurk aan. Het geroezemoes in de kerk hield op en de mensen zetten zich tot luisteren.
Het orgel speelde de inleiding van de aria “Rejoice Greatly” uit de Messias. Ging ze dat zingen? Was ze al zo ver gevorderd dat ze dit verdraaid moeilijke stuk met al die vlugge loopjes kon zingen? Ik hoorde direct dat de organist begon te knoeien … hoe zou Mieke daarop reageren?
Zenuwachtig rechtte ik mijn rug tegen de muur zodat ik haar weer kon zien. Toe nou, vent, speel het nou fatsoenlijk! Toen parelde de mij zo bekende stem door de geel gekalkte kerkruimte. Ze zong de eerste vlugge passages wat langzamer, zeker om de organist een kans te geven wegwijs te worden uit de vlugge nootjes. Zat ik nu maar achter dat orgel…Oh Mieke, we hadden samen onze weg in de muziek kunnen vinden … waarom heb je dat volkomen genegeerd? Samen in de muziek … was dat eigenlijk niet de enige reden geweest die ons naar elkaar toegedreven had?
Mieke zong de aria feilloos, zonder ook maar een keer naar haar partituur te kijken. Haar stem was voller geworden, toch zong ze nog steeds als een jongenssopraan…zonder enige vibratie. Er sidderde een diepe ontroering in me. De haast volmaakte klank van haar stem had de herinnering aan onze verhouding verdreven … ik kon alleen maar genieten. Aan het einde van de aria werd er lang geapplaudisseerd, maar alleen ik deed het staande. Ik klapte zelfs door toen het applaus wegstierf. Een paar vrouwen draaien zich om. Zulk een uitspatting van enthousiasme … foei, dat deed men toch niet in een Gereformeerde kerk, dat begon op mensenverheerlijking te gelijken!
Het koor stelde zich weer op en begon over kerstklokjes te zingen. Ik ergerde me dood. Ach ja, deze romantische liederen gingen erin als koek bij het orthodoxe publiek.
Ik voelde dat iemand naar me keek. Ik draaide me naar de deur en zag Mieke staan. Hoe was ze daar zo vlug gekomen? Ze wenkte me. Ik bleef zitten tot de laatste kerkklokken zachtjes weg deinden en ging naar de deur. Mieke pakte mijn hand maar liet die buiten meteen weer los. Aarzelende sneeuwvlokken dwarrelden langzaam naar beneden. In haar dunne blauwe jurk was ze om het kerkgebouw gelopen. Zonder iets te zeggen trok ze me mee naar de gang tussen het kerkzaaltje en de kerk. Ze rilde van de kou en ik legde mijn jas over haar schouders.
“Jan, kan het niet weer goed worden tussen ons? Ik heb je zo gemist!” Ik zag haar glanzende fluwelen ogen. Ze was zo klein dat ze amper tot mijn borst schouders reikte. Janneke was bijna net zo lang als ik…hoe kon ik nu ineens aan Janneke denken?
Ik hakkelde schor: “maar die brief, Mieke, die brief waarin je…” Ze legde haar hand op mijn arm. “Kun je die brief vergeten, Jan? Iedere dag kreeg ik op de kop van mijn vader. Ik heb zo’n moeilijke tijd gehad! Tenslotte ging ik zelf geloven dat we niet bij elkaar pasten Dat is toch niet zo vreemd als je bedenkt onder welke druk ik stond? Maar ik kan je niet vergeten, Jan.…ik heb je lief … ik heb je zo lief!”
Ik zag haar lippen beven en ik trok haar naar me toe. Ik was er ineens heel zeker van dat ik haar ook lief had, en ik voelde me blij, maar ik was niet bij machte iets te zeggen. Mijn armen omknelden haar en ik wilde haar kussen … ik wilde dat lieve gezicht kussen, maar ineens veranderde haar gezicht in het bruine gezicht van Janneke. Haar helblauwe ogen staarden me bedroeft aan. “Nu kom je zeker niet meer met dit koude winterweer!”
Mijn armen vielen slap naast mijn zij en ik deinsde terug totdat een kapstok pijnlijk in mijn rug prikte. Ik keerde mijn gezicht van haar af en huilend verborg ik het in de wollige winterjas die aan de kapstok hing. We stonden beiden alleen.
Haar stem was zo zacht dat ik haar bijna niet verstond. “Jan, heb je een ander meisje?” Woordeloos schudde ik mijn hoofd …
Ik heb je nog steeds lief, Mieke! Dat had ik willen zeggen, maar ik kon de woorden niet over mijn lippen krijgen. Ik kon alleen maar fluisteren, “geef me de tijd, Mieke!”
Ik hoorde haar voetstappen wegklinken over de houten vloer. Als een kleine jongen stond ik mijn tranen te wissen aan een wollen winterjas … We hadden elkaar maar twee minuten gesproken.
Ik liep door de straten van Dokkum. Ik liep tot ver buiten de stad en stond stil bij een verkeer paddenstoel. Ik veegde de sneeuw er af. Het gaf twee richtingen aan.
Mijn levens paddenstoel had nu ook twee richtingen. Ik moest kiezen … of had ik al gekozen? Onwillekeurig sloot ik mijn ogen. Maar wat moest ik bidden? Het was allemaal zo verwarrend. God was mij nog nooit tot hulp gesneld met een directe aanwijzing. Andere christenenvermogen zijn stem zeer duidelijk horen maar ik had het nooit ervaren.
Leave a Reply