Op een Maandag zei Liesbet tegen mij: Woensdagavond moeten we naar Jan en Marie, hoor. Woensdag al, riep ik. Er was die zomer al een keer over gepraat, maar ik had er nooit meer aan gedacht. Meestal wil ik alleen aan mooie dingen denken. Ik zei: meid, wat maak je me nou aan het schrikken. Ik hou helemaal niet van Jan en Marie. Ze praten altijd over ziekzijn, kwalen en dokters. Niks aan te doen, mijn jongen, zei Liesbet, over zo’n avondje komen we wel weer heen. En Lucas en Dina zijn ook uitgenodigd.
Er was geen ontkomen meer aan. Woensdagavond stonden we op de stoep bij Jan en Marie. Ze woonden maar een paarminuten lopen van ons af.
Jan, die al een poosje in de vut was, deed open. Hij keek zo monter als een uitgewrongen vaatdoek, maar zo kijkt hij nu eenmaal. O, zijn jullie daar, zei hij moe, kom maar gauw binnen uit die kou, maar jullie treffen het niet hoor, want ik ben niks op streek.
Ben je ziek, vroeg ik. Ziek, riep hij wanhopig, wat je maar ziek noemt. Het zijn mijn voeten weer, man. En mijn rug en mijn nek. Alles is voor elkaar weg. Mijn hele lichaam schreeuwt van pijn, maar wat doe je eraan.
Marie kwam toen ook bij de deur. Kom er maar in luitjes, ach ja, het is weer zover hier, niks anders dan ellende hier, pijn en ongemak.
Nou, laten we meteen weer vertrekken, riep ik verheugd. Maar nee hoor, hoe kwam ik daar wel bij, weer weggaan? Ze waren het lijden immers gewend, en bovendien was de koffie klaar. En zo zaten we even later met ons vieren in de kamer. Liesbet naast Marie, die direct over haar medicijnen begon te praten.
Ik zat tegenover Jan. Zijn voet, in een dikke wollen sok, lag tussen ons op een hijzettafeltje. Kijk hier trekt de pijn langs, wees Jan, van mijn enkel naar mijn tenen. Als ik er maar wat beweging in houdt, dan is het wat gemakkelijker. Hij liet zijn tenen in zijn sokken op en neer wippen en even begon ik te denken aan Jan Klaassen en zijn poppenkast.
Maar ja, zuchtte Jan, in het ziekenhuis hebben ze het niets in de rekening he, Kwakzalvers, die dokters, ze laten je gewoon omkomen, hoor. Maar wel dikke traktementen beuren. Ik heb gister nog eens weer een ingezonden brief naar de kerkbode gestuurd. Maar, zei ik, daar kunnen de dominees en ouderlingen toch niets aan doen. Ach, Arie, ik moet mijn last toch ergens kwijt, en zo blijft het tenminste nog een beetje onder ons.
Als je nou eens geregeld met die voet in warm water ging, stelde ik voor. Warm water, riep Jan, man, ik doe niks anders dan in warm water zitten, ook al voor mijn rug, Ik zit de laatste tijd vaker in de badkuip dan in mijn stoel. Mijn zoon Anko zegt: Pa kon wel n zeehond zijn. Ach, da’s maar gekheid natuurlijk, dat moet je goed begrijpen. Maar dacht je dat het hielp? Geen spier, man, geen spier. Ik zei: je moest eigenlijk naar de Sahara verhuizen, Jan, daar is het lekker warm. Ja, ja, zei Jan, maar ‘s nachts vernikkel je van de kou. Die afwisseling van temperatuur kan nooit goed zijn voor een mens. Hij zweeg even, misschien wel totaal beduusd van zijn eigen wijsheid. En hij wipte maar met zijn tenen. Ik moest er maar steeds naar kijken, want je ziet zoiets niet vaak, die tenen wapperen.
Ik probeerde maar eens of ik hem van zijn stokpaardje af kon brengen. Ik zei monter: wij hadden in Augustus nog een mooie week in Egmond aan Zee. Maar daar had Jan geen aandacht voor, want ineens liet hij zijn hoofd op een wonderbaarlijke manier ronddraaien. O, mijn nek, mijn nek, zei hij, ik moet alles wat gesmeerd houden, anders gaat het vastzitten. Man, ‘smorgens zat me de kop zo stijf op mijn lichaam of hij erop vastgeroest zit. Marie, zeg ik dan, hou mijn hoofd es even goed vast. Dat doet ze dan, en dan draai ik mijn lichaam ineens met een ruk om. Knap zegt mijn nek, en los is hij weer.
Ik had er al lang genoeg van. Ik keek het raam uit en zei: Lucas en Dina blijven nogal even weg. Jan zei een poosje niets en ik luisterde naar de vrouwen. Ja, zegt Marie, dan heb ik nog Oxipan om mijn bloed dun te maken, en Hemopan om mijn bloed dik te maken als het te dun wordt. Wat zei jij over Lucas en Dina? Ze keerde haar gelaat naar mij toe. Ik had vroeger nog een poosje verkering met haar gehad, maar was nu toch wel blij dat het niks geworden was. Mijn Liesbet loopt elke morgen wel zo’n vijf kilometer langs het kanaal, en komt zonder klachten over moeheid en een pijntje hier of daar altijd zeer monter terug.
Dat ze er nog niet zijn, zei ik tegen Marie, je had hen toch ook uitgenodigd? Maar dat jullie met je vieren zouden komen, dat is pas over een maand, riep Marie. Mijn Liesbet werd eerst rood en dan wit, greep naar haar tasje en keek in haar opschrijfboekje. Je hebt gelijk, Marie, zei ze. Ik me radicaal verkeken. Daar staat het: op de twaalfde November, en nu is het nog maar de twaalfde Oktober.
Dit was mijn kans. Och, och, vrouwtje, zei ik, hoe heb je dat toch wel gehad. Nou, dan gaan we maar gauw weer neer huis, mensen, vooral omdat jullie beiden in zo’n ziekelijke staat verkeren. Ben je nou helemaal, zei Marie, jullie gaan nog niet weer weg hoor. Wij zitten hier immers zo genoeglijk te praten. En later heb ik nog wat lekkere vruchten op sap.
Vruchten op sap. Ook dat nog. Er was geen ontkomen aan en moest blijven luisteren naar Jan’s klagerige zang over tenen, medicijnen en doctoren. Ik bleef maar luisteren. Om tien uur zaten we achter hoge glazen troebele vruchtensap, waarin weke, glibberige abrikozen dreven, die me deden denken aan de kwallen die we in de zee bij Egmond hadden gezien. Ik zei tegen Jan, die het net over zijn maagkwaal had: er zaten weer flink wat kwallen in zee, man, van die hel grote dikke kwallen. Maar zelfs met de kwallen kon ik Jan’s aandacht niet vangen en ik zeeg moedeloos terug in mijn stoel, waar een kapotte veer mijn linkerzij zat te vermorzelen.
Jan vertelde dikke stukken en liet onder het sappige vertelsel zijn tenen wippen en zijn hoofd ronddraaien. Mijn ogen begonnen ervan te draaien en in die zweefmolen werden ze aardig zwaar. Ik kon ze nauwelijks openhouden. Net toen ik dacht; nu houd ik het niet langer vol, stond Liesbet op en zei heel vriendelijk: maar Marie, nu moeten we toch naar huis, hoor.
Het was elf uur. Even later liepen we zonder te praten naar ons eigen huis. Daar zaten we nog een poosje onder het genot van een glas wijn. Wat doe je toch steeds met je hoofd te draaien, zei Liesbet, houd hem toch stil. Ik zei: he, daar had ik geen erg in.
Even later togen we naar bed. Ik sliep al gauw, vermoeid als ik was van Jan’s geteut. Plotseling werd ik wakker van een scheurende pijn in mijn zij. Au, zei ik. Nou ja, zei Liesbet een beetje boos, je ligt niet alleen te snurken, maar ook nog met je tenen te wippen en met je hoofd te draaien. Hou er toch mee op. Kan ik niet, klaagde ik, het is me in het bloed gaan zitten. Moeten we werkelijk over een maand weer naar Jan en Marie? Misschien zijn ze dan weer helemaal beter, zei Liesbet zachtaardig.
De volgende morgen kuierde ik door het dorp. En wie komt daar aangestapt met verende pas, zelfs zonder wandelstok? Mijn beste vriend Jan. Ik riep hem tegemoet: hoe is het nou met je teen, je nek en je rug? Zijn gezicht straalde. Het is net of iemand anders die zware last van mij afgenomen heeft. Ik voel me als een kip zo lekker. Kom nog maar eens weer op visite.
Leave a Reply