Zij is klein en stevig. Hij lang en mager. Aan hem zie je direct dat ze 65-plussers zijn. Ze hebben jarenlang hier gewinkeld. Hij schuift het boodschappenwagentje. Zij wipt bedrijvig van de zeeppoeder naar de koffie naar de koekjes. Ik ben bezig het broodrek te vullen als ze me passeren … dag Mevrouw … dag Meneer … mooi weertje vandaag! De winkel is nu van mijn zoon. Maar het is moeilijk goed personeel te krijgen en het wordt steeds duurder met al die bijslagen … Daarom help ik hem ‘s morgens.
Ik zeg Meneer en Mevrouw met een hoofdletter in het timbre van mijn stem. Oude kruideniers hebben zich daarin geoefend. Vroeger was niet iedereen meneer en mevrouw met een Hoofdletter, maar tegenwoordig weet je het soms niet meer. Daarom spreek ik nu elke klant met de hoofdletter ‘M’ aan. Klanten vinden dat fijn. Het sjofele oudje dat elke Dinsdagmorgen haar karretje met sherryflessen vult, voelt zich even uit haar alcohol-ellende getild. Het zwaar zwangere meiske van zo’n jaar of vijftien dat Drum tabak inslaat voor de knaap waar ze mee samenwoont, vindt mijn ‘Mevrouwtje’ zwaar overdreven … maar toch wel leuk. Voor God zijn alle mensen gelijk, en ook voor de moderne kruidenier is dat nu zo.
Ik kijk meneer en mevrouw Overstap na als ik even mijn rug recht. Meneer draait het wagentje om. Zomaar, zonder enige reden. “Nee Jan,” roept mevrouw terwijl ze zorgvuldig vier bananen uitkiest, “deze kant op, hoor.” Even staat hij stil, duwt dan toch het karretje in de verkeerde richting. Op haar korte beentjes trippelt ze hem na. “Kom Jan, we moeten immers nog naar de groente.” Hij mompelt, “tjonge, tjonge, dat is ook zo…krek … we moeten nog naar de groente.” Toch draait hij zijn karretje niet. Zijn lege ogen staren naar mij. Maar het is of hij mij niet eens ziet. Op zijn kraak witte overhemd zit een rode en een gele vlek. Bij het ontbijt morste hij jam en een ei. Mevrouw ziet het nu ook en knoopt vlug zijn jasje erover dicht. Het valt niet mee hem schoon te houden.
Ze neemt hem bij de arm en draait hem langzaam om. Dat neemt tijd, want het karretje moet meedraaien. Even zie ik haar rust in drift veranderen. Dan stoot het karretje een stapel zeeppoeder dozen om. “Sorry,” zegt ze zacht, “ik weet het soms ook niet meer.” “Dat is mijn schuld mevrouw,” zeg ik, “ik had die dozen niet in het nauwe gangetje op moeten stapelen, er is inderdaad niet veel ruimte.” Meneer blijft bij me staan. “Ja, sorry hoor … bent u de kruidenier?” “Dat weet je toch wel Jan, we winkelen hier immers al jaren. En vroeger, in de kerk, zat meneer toch twee banken voor ons met zijn leuke gezin?” Elke woensdagmorgen hetzelfde verhaaltje. “Ja, ja, twee banken … nou, da’s leuk hoor,” mompelt hij. Met haar hand op zijn arm maant ze hem verder te gaan. Hij duwt het karretje met zijn goede arm. De andere arm hangt stil naast zijn magere lichaam.
Ineens staat hij weer stil, en schuifelt voor zijn doen snel naar mij toe. “Drie banken…niet twee … en je had altijd een bruin pak aan Zondags.” Zijn gezicht straalt. “En je had drie kinderen … krek!” Hij heeft nog gelijk ook. Soms vliegt er nog een vonkje van de ene hersencel naar de andere, maar lang duurt dat nooit. Voor ik hem kan antwoorden zie ik de schemer van machteloze doelloosheid weer over zijn gezicht trekken. Zijn stem, net zo helder, verliest aan kracht. “Nou, da’s leuk hoor, leuk niet vrouw?” “Ja hoor, kom nu maar … “
Bij de kassa liggen de sigaren en de sigaretten. Nu moet ik opletten. Terwijl mevrouw de boodschappen op de toonbank legt, klopt meneer haar op de schouder. “Niet de sigaren vergeten, lieve.” “Maar Jan, je weet toch dat de dokter je het roken verboden heeft?” “Ik moet sigaren, ik word boos op je hoor!”
Elke Woensdagmorgen hetzelfde scenario. Vorig jaar, als zijn vrouw bleef weigeren, schoten zijn ogen vuur, was hij weer de oude autoritaire bankdirecteur, die nu niet meer met woorden en ogen kon dringen en daarom gebruik maakte van zijn goede arm om ‘lieve’ een mep te geven. Nadat dit een paar keer gebeurd was, hielp ik hen bij de kassa, in plaats van het meisje. Ik was erop verdacht, greep dan bliksemsnel zijn arm en keek hem strak in de ogen.
Maar tegenwoordig doen we het anders. Ik haal een leeg sigarendoosje vanonder de toonbank en zeg: machtig fijn sigaartje, meneer Overstap, daar heb je weer de hele week genoeg aan! Dan tik ik vier nullen op de kassa, en meneer is zo tevreden als een broedende hen. Volgens mevrouw is hij thuis de sigaren al lang weer vergeten. “Mag ik een ijsje van een dubbeltje?” Hij is terug in zijn jongensjaren, toen zo’n ijsje nog twee scheppen hoog was. “Ja hoor, een ijsje is beter voor jou, maar die gaan we thuis lekker opeten … “
De Overstaps … Ik heb ze al zo lang gekend. Hij was bankdirecteur, op en top zakenman. Mevrouw was verlegen, bij het schuwe af vroeger … en erg onhandig. Vaak had ze blauwe plekken op haar armen. “Ach,” klaagde ze dan, “ik stoot me overal aan, he, ik ben zo vreselijk onhandig!” Nooit kocht ze boven de vijftig gulden. Als de kassa het bedrag van haar boodschappen optelde, volgde ze de cijfertjes met spanning. Was het meer dan vijftig gulden dan bracht dat haar in grote verlegenheid. Schuw legde ze dan een pakje margarine terug. Wij vonden dat vreemd … was haar man geen bankdirecteur met een goed salaris? Mijn vrouw had het beter door dan ik … en later bleek ook wel dat ze gelijk had. Mevrouw kreeg vijftig gulden voor de boodschappen en daarmee moest ze het doen! De florissante, voorkomende, vrome meneer Overstaps was thuis de machtige heerser waar het hele gezin voor boog. Hij sloeg zijn vrouw, hij sloeg zijn kinderen in tomeloze drift. Zijn woord was wet! Zijn kinderen gedroegen zich voorbeeldig, gingen trouw naar de jeugdverenigingen, maar toen ze het nest uitvlogen was het mis. De twee jongens raakten aan verdovende middelen en het meisje woonde samen met een nogal vieze, langharige kunstenaar. Ik zat in de kerkerraad toen meneer een keurige brief schreef dat hij vanwege familieomstandigheden zich liever niet op nominatie voor ouderling geplaatst zag.
Voor een zeer lange tijd kwamen de Overstaps niet meer in de kerk. Kwamen ook niet meer in onze winkel. We zagen ze soms in de stad lopen toen hij op pensioen gekomen was. Een statige heer, mooi wit haar, keurig gekleed … zij trippelde altijd een paar meter achter hem in haar sjofele kleren. Toen … De beroerte.
Ze kwamen weer bij ons winkelen en van maand tot maand zagen we mevrouw veranderen in een kordate dame, want alles kwam nu op haar neer. Toch was het nog altijd zuinig inkopen, daar was ze aan gewend geraakt. En erg lief voor haar invalide man, dat ook. Maar mijn vrouw vroeg zich af of mevrouw, na zo’n leven met hem, werkelijk van hem kon houden. “Als jij mij zo behandeld had, was ik allang bij je weggelopen.” Ik weet altijd goed wat ik aan mijn vrouw heb …
De Overstaps lopen nu langzaam langs het winkelraam. De wind is koud. Ze helpt hem in zijn beige regenjas. Als hij zich vooroverbuigt zodat ze beter bij de bovenste knoop kan, neemt ze zijn magere gezicht tussen beide handen en zoent hem op de wang. Even legt hij zijn goede arm op haar schouder, maar direct vat hij de stang van het karretje weer, alsof hij vergat waarom hij het deed. Zij schuift haar arm onder zijn lamme arm en kijkt nog eens naar hem op. Het ontroert mij, en ik weet dat mijn vrouw het deze keer bij het verkeerde eind heeft.
Zondagmorgen. “De genade van Jezus Christus zij met U allen. Gaat heen in vrede.” Twee banken voor me zitten de Overstaps. Ik bedenk dat deze woorden voor hem niets meer betekenen. Maar die genade heeft haar staande gehouden in een bang, oneindig droevig huwelijk! Mag een mens zo onnodig lijden? Daar kom ik niet uit…
Leave a Reply