Verhalen

Herman de Jong

Klaas Pot

Mijn vrouw en ik komen om het andere jaar naar Canada om onze kinderen te bezoeken. Zodoende hebben we ook in Canada veel vrienden gekregen. Meestal oudere mensen die tot dezelfde kerk behoren als de gezinnen van onze kinderen. Alleen Klaas Pot maakt daarop een uitzondering. Die behoort bij een Zwarte Kousen Kerk … jaja, die hebben ze daar in Canada ook al! Als Nederlanders emigreren nemen ze de Hervormde, de Gereformeerde, De Rooms Katholieke, de Vrijgemaakte, De Christelijke Gereformeerde en de Zwarte Kousen Kerk mee. Misschien nog enige andere Nederlandse kerkgenootschappen, maar daarvan ben ik me niet bewust. Dan zijn er nog bosjes onkerkelijke lieden die hun oud-vaderlanders alleen maar ontmoeten in Dutch-Canadian Clubs. Die clubs worden trouwens ook wel bezocht door leden van bovengenoemde groeperingen die het niet zo nauw meer nemen met de dans, kaart en drink taboes van vroeger.

Als ik een week in Canada ben, begin ik me al te vervelen. Ik mis de Hollandse kanalen, riviertjes en meren waar je zo fijn kunt vissen. In Nederland vis ik met mijn vroegere collega Brammetje Ten Hof, net als ik een zeer zwijgzame Noordeling, wiens stemtrillingen de visjes niet wegjagen. Over het idee dat vissen kunnen horen is al menig proefschrift geschreven door niet-vissers. Ik geloof er wel in. Het is een feit dat een Groninger meer vis vangt dan de gemiddelde Amsterdammer.

Gelukkig heb ik in Canada Klaas Pot gevonden. Heel toevallig. Ik kwam hem niet tegen in de kerk, maar ontmoette hem bij het bij het meertje Jordan Harbour, de enige visgelegenheid die ik lopend bereiken vanuit Wim’s huis. Ik zei vriendelijk ‘good morning’ tegen het vieze oude mannetje. Hij bromde wat. Het leek op ‘Moj’, de korte krachtige morgengroet der Groningers. Maar dat kon natuurlijk niet, want Groningers lopen er niet zo vies bij. Zwijgend zaten we uren naast elkaar op het blinkende water te turen. Gedurende die tijd had het mannetje gevist en pijp gerookt … veel gerookt. Nu was hij blijkbaar door zijn lucifers heen, want ik zag hem al zijn broekzakken aftasten. Zonder resultaat. Daarna liep hij naar het oudste, scheefste truckje dat ik ooit zag en hij trok de lange zitting van de cabine naar buiten. Misschien gaat hij daarop een poosje liggen slapen, dacht ik. Maar dat was niet het geval. Onder de zitting stonden doosjes, pannetjes en blikjes. Een voor een werden ze ijverig onderzocht, steeds zenuwachtiger, want een man die roken wil maar geen lucifers kan vinden gedraagt zich als een chirurg die een snijmes in de buik van een patiënt heeft achtergelaten. Het door het noodlot geslagen mannetje kwam eindelijk terug naar de rots waarop hij had zitten vissen. Hij sjorde zijn broek op die door het bukken en buigen zijn houvast verloren had boven een buikje dat eerder hol dan bol was. Ineens zag ik hem de hele sigaret in de mond steken. Ik hoorde hem mompelen: den mar kauwen. Hij keek mij laatdunkend aan toen ik begon te lachen en mijn vuuraansteker tevoorschijn toverde. “Too late,” zei hij. Toen pas drong het tot me door dat ik onvervalst Gronings gehoord had. Ik vertelde hem dat ik ook een Groninger was. Hij deed niet verbaasd daarover, alsof het de gewoonste zaak in de wereld was aan een Canadees meertje een provinciegenoot te ontmoeten.

Nadat hij zijn lijn had uitgeworpen vroeg hij: war kom ie den weg. Heiligerlee, zei ik. “Standbeeld, maar anders n gat van n dorp,” bromde hij terug. Na verloop van een kwartier kwam het gesprek weer goed op gang. “Hou lang ben ie al in Canada,” vroeg hij terwijl hij zijn neus krachtig snoot in de vuilste zakdoek die ik ooit gezien had. “Drie weken,” antwoordde ik. “Zal wel, jullie ‘engel is hier anders kocht, bie Canadian Tire,” zei hij, trots op zijn opmerkingsgave. “Da’s de ‘engel van mijn zoon,” zei ik, dei woont hier vlak bie.”

“Ik ben hier al viertig (40) jaar, zei hij, ” het wordt er hier anders naait beter op. Ik kin nergens meer roken, en dat vaalt niet mee. Dei Mulroney mossen ze direct vervangen met Lubbers … Nou, moar naait meer proat’n, anders krieg k nooit beet…”

Dat was mijn eerste ontmoeting met Klaas Pot en sindsdien visten we samen, meestal in zijn aluminium roeiboot met buitenboordmotor.

Om vijf uur ‘s morgens lag ik al te luisteren naar het truckje van Klaas. Dat truckje wekt de hele buurt, want door de jaren heeft het zijn uitlaatpijp verloren. Het is alsof een tank de straat binnenrijdt. Om te voorkomen dat mijn zoon en schoondochter omringt worden door onvriendelijke buren, stelde ik Klaas voor dat hij die uitlaat moest laten repareren, maar daar was de oude baas niet voor te vinden. “Zo kan ik tenminste horen dat de motor loopt,” bromde hij, en voegde eraan toe dat het voor zo’n oud kreng beter was dat het gas zijn vrije loop heeft. Net als bij mensen, zei hij …

Klokslag vijf uur hoor ik de truck op enige kilometers afstand van het huis knetteren. Ik heb dus alle tijd om mij in mijn blauw gestreepte pyjama naar beneden te strompelen om koffie te zetten. Toen Klaas mij voor het eerst in die pyjama zag, meende hij dat ik naar een feestje moest. Zulke prachtige kleren had hij nog nooit gezien. Hij kon er niet over uit dat ik zo fijn gekleed lag te slapen.

Daar bonst hij al op de achterdeur. De poes die vredig op de keukentafel lag te slapen roetst de trap op. Die poes is bang voor Klaas. Toen Klaas voor de eerste bij de achterdeur stond wilde de poes tegelijk met hem naar binnen. Klaas nam haar op zijn modderlaars en schopte het arme beest over de waslijn. “Ik heb n ‘ekel aan katten,” bromde hij.

Als ik in mijn pyjama de deur voor hem opendoe bekijkt hij me van top tot teen, en elke morgen krijg ik steevast te horen: wol je zo mit? “Kom der in Kloas, eerst een bakje koffie!” Dat is mijn stereotype antwoord. Oudere mensen ontbreekt het vaak aan uitbeeldingsvermogen. In zijn baggerlaarzen volgt hij me naar de keuken. Ik moest eerst wel even aan dat mannetje wennen.

Mijn zoon en schoondochter hebben hem nog niet ontmoet, hoewel ik weet dat ze nu klaarwakker op hem liggen te schelden. Het is een rijke zegen dat ze nog nooit naar beneden zijn gekomen. Ze zien gelukkig nooit dat ik de klonten modder die Klaas achterlaat netjes onder de koelkast veeg. Als Klaas zijn koffiekom met groezelige handen omvat is het een gesmak, gegorgel en gezuig van je welste. Mijn schoondochter, zeer gesteld op manieren, zou flauwvallen. Zelfs ik, die toch wel tegen een stootje kan, wordt ernaar van. Maar een Griek een Griek … dus slurp ik dapper mee!

Zo gauw mogelijk spoed ik me naar boven om me verder aan te kleden. Het beloofd een grandioze dag te worden dus schiet ik in een korte broek. Voor we vertrekken roept Klaas steevast: bedankt voor de koffie, missus! (mevrouw) Er komt nooit antwoord terug. Ik weet dat, zodra we wegrijden, zoon en schoondochter verlicht uit hun bed zullen springen. En Marietje zal zuchtend in de keuken alles weer netjes opruimen.

Het truckje heeft een aanhangwagentje. Het bootje ligt er zo maar los bovenop want Klaas heeft geen touw … hij heeft een hele garage vol rotzooi, maar touw bezit hij niet, behalve het vuile koord waarmee hij zijn broek ophoudt. In dat surrogaat riempje ligt zo’n stevige knoop dat ik denk dat Klaas een half jaar lang in dezelfde broek rondloopt.

Klaas laat zijn truck en bijbehoren nooit op de straat staan, maar draait steevast de ‘driveway’ in. Nou moeten we maar even upbacken, zegt Klaas, terwijl hij zich achter het stuur hijst. Dat gaat nogal moeilijk want de treeplank en de deur aan zijn kant zijn er niet meer. Zijn hoofd is vastgeroest op zijn tanige nek, dus kijkt hij door het spiegeltje van de andere deur. Ik ga achter de truck staan om hem met veel armgezwaai te vertellen of hij naar links of naar rechts moet. Nadat hij Marietje’s bloemenperkje naast de oprit twee keer omploegde met zijn linker wiel, heeft hij knorrend moeten toegeven dat enige hulp noodzakelijk was.

“Dat heb je hem weer mooi gelapt, meester.” Dat zegt hij elke morgen. Hij denkt nog altijd dat ik vroeger bij het onderwijs was. Als we even later buiten de stad rijden: “Zo, nou mar es kiek’n of dit beest de zeventig nog kan halen.” Ook dat zegt hij elke morgen. Hij trekt zich aan het stuurwiel naar voren zodat zijn voet het gaspedaal volledig in kan drukken en na enige onverschillige schokken gehoorzaamt het beestje en langzaam stijgt de naald tot 60. Dat is goed genoeg voor mijn vriend. Hij trek zich terug op de uiterst vuile zitbank, beide handen verlaten het stuur als hij zijn pijp aansteekt, en dan legt hij nonchalant een hand op de rug van de bank, zodat zijn gerimpeld gezichtje naar mij gericht is … naar de weg kijkt hij niet!

Zo slieren we langs de weg. Ik bid niet meer om bewaring. Wel sluit ik vaak mijn ogen als we recht op een telefoonpaal afrijden. Als ik in de verte een tegenligger zie aankomen, zeg ik zeer rustig en bedaard: nou, wat moet zo’n man zo vroeg bij de weg. Klaas weet dan tenminste dat er iets aan komt. Hij hoort slecht en hij ziet slecht. Hij moet omringt zijn door een wolk van liefderijke engelen die hem elke dag voor de dood behoeden…

Zo komen we bij het meertje. We hebben een leuke manier uitgevonden om zonder moeite en inspanning de boot in het water te krijgen. Dragen kunnen we hem niet, want het is een zeer zware aluminiumboot die nog gebruikt werd in de Tweede Wereld Oorlog en zo’n tien soldaten kon vervoeren. We rijden achteruit tot aan de waterrand en dan druk ik met een lange balk tegen de achtersteven van de boot. Klaas laat de motor goed razen en trekt dan met een rotgang op. De boot schuift van het wagentje, en in de verte trapt Klaas stevig op de rem, maar dat helpt niet veel want sinds jaren is er niets aan de remvoering gedaan. Daarom draait hij het sleuteltje maar om en met een schok staat het truckje stil omgeven door dichte zwarte rookwolken.

Even later varen we op het meer en gooien onze hengels uit. Het water is spiegelglad en dat betekent volgens Klaas dat we een eeuwigheid op visjes moeten wachten. Maar dat geeft niet. Wij oude mannen hebben immers alle tijd. Ik begin “Er ruist langs de wolken” te zingen. Klaas zingt niet mee want het is een gezang. Hij kent alleen maar psalmen. Dam maar “God heb ik lief, want die getrouwe Heer”. Op onze eerste vistochten zong Klaas niet mee want hij moest daarvoor zijn pijp uit de mond halen. Toen probeerde hij langs het afgeknaagde pijp steeltje te zingen, maar de twee tanden in zijn mond waren niet bij machte de pijp in zijn mond te houden. Nu legt hij de pijp in het bakje met wormen, zodat hij het gemakkelijk terug kan vinden.

In onze zeldzame gesprekken hebben we natuurlijk vaak over godsdienst gepraat en wel over de verschillen die Hervormde en Gereformeerde kerkgenootschappen uit elkaar hebben getrokken. Het blijkt dat Klaas daar nog beter van op de hoogte is dan ik.

Klaas is eigenlijk maar een grote stumper. Het leven heeft hem grote klappen toegediend. Al vroeg liep zijn vrouw van hem weg en zijn twee getrouwde kinderen zijn vies van hem. Hij woont in een houten hok met daarnaast en grote bergplaats die propvol zit alles wat hij door de jaren heen heeft opgescharrelde. Klaas laat niemand toe in zijn hokje … daar zal hij wel alle reden voor hebben. Zondagsmorgens scheert hij zich, trekt een felgroen pak aan dat om zijn lichaam slobbert en gaat getrouw twee keer naar de urenlange diensten van zijn Zwarte Kousen Kerk. Drie keer per jaar is daar Avondmaal, maar hij mag niet aan tafel, ofschoon hij belijdend lid is … Vijftig jaar had zijn vrouw immers echtscheiding aangevraagd!  Klaas drong er bij de kerkenraad niet op aan hem toegang te verlenen, want bovendien mist hij ook nog de zekerheid des geloof. God had nog steeds zijn ziel in het donker gezet en het licht der genade niet in hem laten schijnen. “Daar is nu eenmaal niets aan te doen,” bromde Klaas, “ik zou me een eeuwig oordeel eten en drinken als ik tussen de echt-gelovigen aan de tafel des Heren ging zitten.

Ik zei dat ik wel zeker wist dat ik een kind des Heren was. Dat is mooi, zei Klaas rustig, maar het kan natuurlijk ook inbeelding zijn. Ik vond het vreselijk verdrietig dat dit oude mannetje, die toch bijna met een voet in het graf stond -dat zou je Klaas niet moeten vertellen- de zekerheid van het eeuwige leven niet verworven had. Hij wilde daar liever niet over praten, dus ontweken we het persoonlijke in onze gesprekken en spraken we over kerkscheuringen.

 Gelukkig kwam daarin verandering … en wel op een heel vreemde manier. Op een nogal winderige morgen waren we weer het meer opgevaren. Ik was liever thuisgebleven, maar Klaas lachte meewarig. “Wat bist doe ja ‘n schieterd,” zei hij, “dat beetje wind, doar geef ik niks om! Kom aan meester, dizze keer vangen we een best zootje vis!”

 We waren nog geen kwartier aan het vissen of Klaas kreeg beet. Zijn hengel boog zwaar naar beneden. “Kerel man,” riep Klaas, “dat mout wel n monster wezen. Draai gauw het motortje af!” Hij ging staan om beter de lijn in te kunnen draaien. Ik zag dat hij moeite had zijn evenwicht te bewaren en voor ik hem kon toeroepen dat hij moest gaan zitten zwiepte hij overboord. Ik zat als verlamd in het sterk schommelende bootje dat langzaam wegdreef van de spartelende armen en de opengesperde ogen. Mijn tegenwoordigheid van geest kwam echter vlug terug en ik greep de roeispaan die gelukkig binnen mijn bereik lag. Ik stak het Klaas toe, maar hij kon het net niet grijpen. Zijn hoofd verdween onder water en radeloos overwoog ik het water in te springen … ik kon tenminste zwemmen. Plotseling zag ik de rode zwemvesten onder mijn voeten liggen. Stom dat we met deze wind die dingen niet aan hadden gedaan! Ik zag het hoofd van Klaas weer boven water en gooide een vest naar hem toe. Gelukkig kon hij het grijpen. Ik was vertrouwd geraakt met de buitenboordmotor, draaide het startknopje om, rukte stevig aan het starttouw en het sloeg ogenblikkelijk aan. Met een grote bocht kwam ik langszij Klaas en voor zijn leeftijd trok hij zich behendig op aan de rand van de boot en kieperde naar binnen. Terwijl hij naar adem lag te snakken zette ik de motor op volloop en vijf minuten later schuurde het zand van het strandje onder de bodem van de boot. Klaas was al weer bij zijn positieven. “Dat hest hom goud lapt,” was het eerste wat hij zei. Ik vloog naar de truck en legde even later een deken over zijn heel smalle schoudertjes. Zwijgend zaten we naast elkaar in het zand.

 Ineens hoorde ik hem snikken. Troostend legde ik mijn arm op zijn schouder. “Jan?” Het was de eerste keer dat hij mij niet ‘meester’ noemde! “Zeg het moar, Kloas!” “Ik ben toch Gods Kind. Hij heeft mij tot zijn volk ingeleid.” De geijkte kerktaal trof mijn niet als vreemd. Zo hadden mijn vader en moeder gesproken toen ik een kind was. Ook zij worstelden met de zekerheid des geloof maar konden dat in hun eigen woorden niet uiten. “Ik ging door het dal van de schaduw des doods toen ik onder water ging, Jan. Ineens omstraalde mij een fel licht en ik zag daarin de gestalte van Jezus verschijnen. Tegelijkertijd liep ik onder de bomen van de laan die leidde naar mijn ouderlijk huis in Woldendorp. Ik zag mijn moeder het wasgoed aan de lijn hangen … Toen was het licht ook daar en ik zag Jezus naast mijn moeder staan op het grasveld. Hij wenkte me om vlugger te lopen. Toen riep mijn moeder: kom moar, mien jong, ‘k heb de koffie op ‘t stel. Kom moar gauw … ! Ik strekte mien armen uit en ineens had ik dat rode zwemvest in mien hand. Jan, ik heb mien Heiland ontmoet … ik ben een verloste!”

Ik zag de grote blijdschap in zijn ogen en van de weeromstuit huilde ik met hem mee …

Nee, nog mocht Klaas niet aan de tafel des Heren. Klaas vermocht niet zo van zijn ontmoeting met Jezus te getuigen, dat het geloofwaardig klonk in de oren van zijn kerkbestuur. Daarom werd hij een trouw lid van mijn zoons kerk. Een paar jaar later overleed hij in de volle zekerheid des geloof. Hij was 89.

SHARE THIS:

Comments

Leave a Reply

Use this reply form for easy communication with Henry de Jong. Replies are only made public, as Comments, when they are of general interest. Other greetings, corrections, questions and remarks will be privately and gratefully received and acted on, with any further communication continuing in private.

Your email address will not be published. Required fields are marked *

Thank you for visiting Middledom.