3 EEN
Niemand moest ooit gewaarworden dat ik in de schuur geweest was. Meer lijken zouden er wel niet begraven worden, maar de mensen van het FBI Laboratorium konden nog wel eens op komen dagen. Daarom verbrak ik het hangslot niet met een van de gereedschappen om banden te verwisselen. Meer had ik niet bij me.
Zelfs met mijn blote handen kon ik een brede plank uit de achtermuur rukken. De roestige spijkers gaven knerpend mee. Binnen was het licht genoeg want overal waren reten waar het licht door naar binnen kom komen.
Ik had gedacht dat de politie de lijken had moeten op graven. Maar nergens zag ik omgewoelde aarde. Het zou ook gekkenwerk geweest zijn hier mensen te begraven want de aarden vloer was zo hard als cement. Maar men wierp toch zo maar niet een dood mens op de vloer als een plastieken zak met huisvuil? Ja, maar waarom niet, dacht ik. Nooit kwam hier iemand in de winter, alle drie moorden waren gebeurt in November. Allerlei gedierte had een half jaar de tijd om de lijken kaal te vreten, wat inderdaad gebeurd moest zijn, want ik rook geen stank van rottend vlees.
Nauwkeurig onderzocht ik de vloer, maar vond niets.
Wat er al aan overtuigend materiaal aanwezig was had de FBI meegenomen. Een wrakke trap leidde naar de zolder. Ik verwachtte niets meer, Men sleept geen zware lichamen een trap op.
Op de zolder was het duisterder, want het dak was nog in goede staat en liet geen lichtstrepen zien. Er laag een laagje grijze stof op de vloer. Meteen zag ik dat iemand door de stof gelopen had en dat was niet nu gebeurd. De indrukken van schoenen waren niet vers, maar alweer door een dunner laagje stof bedekt. Langzaam volgde ik de voetstappen. Toen lachte ik hardop, want waar de voetstappen ophielden, lag een hoopje gekrulde poep. Een van de ontvoerders had hier zijn grote boodschap achtergelaten. Ik bekeek de voetstappen aandachtig. De man had met kleine stappen gelopen, wat uiteraard wel meer gebeurt als de drang hoog is. Het waren gymschoentjes geweest want nog duidelijk kon ik de indrukken van de ribbels zien. Ik zette mijn voet op een van de afdrukken. Maar 12 Amerikaans. Zelf had ik 11.
Natuurlijk moest er een papiertje zijn waar de man zijn kont mee had afgeveegd, maar ik zag het nergens.
Duidelijk was te zien waar de broek het stof verwaaid had. Ik liep terug naar de trapopening. Allengs wenden mijn ogen wat meer aan het duister, en nog eens volgde ik de voetstappen. Het viel me op dat de linkervoet zich een beetje naar buiten keerde. Dat was geen toevallig iets, want de hele reeks voetstappen vertoonde hetzelfde beeld.
Zou men het kunnen zien als iemand zo liep? Had zo iemand een vreemde gang over zich?
Ik ging weer naar beneden. Buiten, tegen de schuur aangewaaid vond ik een leeg pakje Lucky Strikes, maar het was nieuw en dus niets waard voor bewijsmateriaal. Toch stak ik het in mijn zak.
Op de terugweg naar New York kwam ik weer langs het motelletje. Ik stopte om een praatje te maken met de Molly. Ik vond haar wel een leuke meid, misschien een paar jaar ouder dan ikzelf. Ze was tenminste zichzelf, verfde zich niet zoals die poppen in New York. “Al gasten gehad,” grapte ik. “Ja” zei ze, een uur geleden stopte een auto voor het motel, en de man keek nieuwsgierig naar buiten. Maar hij stapte niet uit. Het leek wel een Italiaan of iemand uit Zuid-Amerika.
“Bent u niet naar hem toegegaan?” “Dat wou ik net doen, maar heel handig keerde hij de auto en reed met een rotvaart weg. Nog iets. Vanmorgen kreeg ik een telefoontje van mijn ex-husband. Weet je wie die lijken ontdekte? Een broer van hem, die een boom omwille zagen en wist dat er een oude grote zaag aan de muur van de schuur hing. De schuur had nooit op slot gezeten, dus was het was makkelijk er even binnen te gaan. En wat ziet hij? Drie welgeklede skeletten, de hoeden nog op, zitten tegen de andere muur naar hem te staren. Hij schrok zich wild, vergat de zaag, en reed naar mijn motel. Maar ik was niet thuis, en hij telefoneerde de New York
Police vanuit Hugh Jackson’s huis. Spannend hee? Ben je nog bij die schuur geweest?
Ik antwoordde: was zou ik er moeten doen, de FBI zal alles wel netjes opgeruimd hebben. Rookt die broer van je ex-husband Lucky Strikes? Ik toonde haar het lege pakje. Nee, hij rookt helemaal niet, waar vond je dat pakje?
Ik wist dat ik me versproken had. Daar moest ik me uit zien te reden “Oh,” zei ik, “ik zag het langs de weg liggen en dacht dat het nog vol was, het zijn zulke stevige pakjes.
“Wou je nu nog terug naar New York? Je kunt hier best nog een nachtje slapen, niet?” Ik zag haar gretige ogen.
Het was hier ook maar een eenzame bedoening. Ofschoon hij nog maar luttele uren met haar gepraat had, was er een genegenheid ontstaan die wederzijds scheen te zijn.
“Goed,” zei hij, “dan betaal ik meteen even, want7 morgenvroeg voor dag en dauw ben ik al vertrokken, ik word in Amerika altijd zo vroeg wakker.”
Maar van betalen wilde ze deze keer niet weten. Ze maakte een heerlijke maaltijd en daarna gingen ze langs het brede strand nog een eind lopen. Het was laag water, en soms nam hij haar hand om haar om een plas te leiden.
Ongemerkt bleven ze hand in hand lopen. Ze was verbazend bij de pinken…had een MA van New York University in psychologie. Carriere had ze niet kunnen maken, want ze trouwde met een Long Islander, die een keten van motels bezat. Na drie jaar had ze echtscheiding aangevraagd, want Benny begon steeds meer te drinken. Ze had terug kunnen gaan naar de ‘rat-race’ in New York, maar verkoos om in Long Island te blijven. Ze hield van de zee, van de duinen. “Ik ook,” zei ik zacht, en bijna had ik haar over Terschelling verteld.
Voor we gingen slapen dronken ze nog een paar glazen whisky. Ik was niet gewend veel te drinken en voelde me steeds vrolijker worden. Molly zette een plaatje op en wilde met me dansen. “Je zult het me moeten leren,” zei ik, ” want ik heb nimmer gedanst, dat liet mijn geloof niet toe.” Vrolijk riep ze: maar ik ben ook een Christin, hoor, maar dans wel. Wat voor een geloof is dat, jongetje? Orthodox Presbyteriaan, zei ik, want ik wist niet hoe je Gereformeerd in het Engels moest vertalen. ‘Reformed’ kon je niet zeggen, want dat was hier weer een andere kerk.
Ze leerde me drie gemakkelijke wal pasjes, en we wiegend dansten op de gladde dansvloer naast de gelagkamer. Ze legde haar gezicht op mijn schouder en ik voelde de glooiing van haar heupen. Langzaam begon ik haar te strijken, volkomen op mijn gemak in mijn nu zeer doezelige staat. Toen kuste ze me. Meteen dacht ik aan Greetje, mijn lieve Greetje. “Nee,” zei ik, “dat kan ik niet doen Molly … ik heb een meisje” “Goed,” zei ze, en we dansten door. Ik voelde haar schouders zachtjes schokken en wist dat ze schreide. Ik had zo’n medelijden met haar dat ik haar steviger tegen me aandrukte.
“Nee,” fluisterde ze, “don’t do that! I’m glad you told me you have a girl. I’m sorry I let myself go…you’re a fine man!
Die nacht sliep ik als een blok en werd niet om 5 maar om 8 uur wakker. Na een hartelijk afscheid reed ik terug naar New York.
Op een eenzaam weggedeelte zag ik een auto aan de kant van de weg staan. Zeker bandenpech. Een man kwam uit de auto en begon met een hand te zwaaien, terwijl hij de andere hand in zijn colbertzakje hield. Ik vond dat vreemd want meestal maaien pechhebbers met beide armen door de lucht. Terwijl ik vaart minderde, zag ik dat de man een zeer donker uiterlijk had. Meteen dacht ik aan de kerel die Molly me beschreef en ik zei tegen Jan van Dam: doorrijden, zo hard als je kunt.
Ik schoot recht op de man af en pas op het laatste moment draaide ik het stuurwiel. Door mijn achterruit zag ik dat hij gevallen was, maar lang lag hij daar niet. Hij vloog overeind en sprong in zijn auto.
Nu hebben sommige huurauto’s de eigenaardigheid dat ze niet boven de speedlimit kunnen rijden. Al hoezeer ik het gaspedaal mishandelde, het wijzertje bleef precies op 55 staan. Binnen twee minuten reed de lange slee naast me en keek ik in het oog van een nogal zware revolver, moeilijk te hanteren met een hand, en dan nog op een weg vol kuilen. Het enige wat me te doen stond was de slee te rammen, maar wel zo dat hij van de weg in het mulle zand kwam te rijden en ik op de weg bleef. Ik wist waar ik hem moest treffen. Ik trapte stevig op de rem, zodat de slee een halve lengte voor me reed en gaf toen vol gas, meteen het stuurwiel naar linksdraaiende. De slee schoot van de weg afkwam terecht in een fijne mulle zandlaag, waarin ieder wieltje zich dieper en dieper draait.
Ik moest wel doorrijden want een wapen had ik niet bij me. Hoe ter wereld wist iemand dat ik me bemoeide met de ontvoering van de drie rijke joden?
Eenmaal terug in Manhattan pakte ik mijn koffer en huurde een flatje in Brooklijn. Een Italiaanse kapper veranderde mijn nogal lange lokken in een brush cut, over enkele dagen zou ik een snorretje hebben, en met een donkere bril op zou niemand me herkennen.
Leave a Reply