Als de rest van de mensheid hun avonden verknoeien voor de beeldbuis, zitten studenten van Mc. Master University in Hamilton tot midden in de nacht te studeren voor hun ‘Christmas Term Papers”.
Ze wonen in afgetimmerde zolderkamertjes, twee studenten per kamer om geld uit te sparen. Onopgemaakte bedden, hopen wasgoed op de vloer, en bureaus gemaakt van afgedankte deuren en sinaasappelkistjes … zo wonen ze daar.
In zo’n zolderkamertje zit James De Bree op Physics 301 te blokken. Nuclear physicist wil hij worden, tot zijn moeders grote ontsteltenis. Maar vader De Bree laat zijn medearbeiders op de grote General Motors fabriek weten dat zijn zoon het ver zal schoppen in de wereld …
Maar wat weet vader De Bree nou eigenlijk van zijn zoon af? Wat weet hij van Physics 301, de ingewikkelde formules waarmee zijn zoon deze avond zit te worstelen? Wat weet hij van de angst die er in zijn zoon schuilt om weer een examen te verknoeien? Uit geldnood doet James dit jaar zes vakken in plaats van de gebruikelijke vier. Weet vader De Bree dat James op de rand staat van een fikse zenuwinstorting?
De gebaarde studentendominee met zijn smakelijk Hollands accent weet dat wel. Ofschoon James al maanden de studentenkerk negeert, laat deze dominee de jongeman niet los. Regelmatig bezoekt hij de ietwat onbehouwen student, die met zijn lange armen en benen geen raad weet in het overvolle, lage zolderkamertje. De dominee heeft naar de trillende schop-penhanden gekeken … het oververmoeide gezicht, de zenuwtrek rondom het linkeroog.
De ervaren dominee weet meer. Deze James voelt zich van God en mens verlaten. Hij schimpt op het benarde kerkleven van zijn ouders, die lid zijn van een “Zwarte Kousen” kerk, met huid en haar overgeplant op Canadese bodem. Een kerk waar alles bij het oude moet blijven. Zijn medestudenten laten hem links liggen … wat doe je met een jog dat altijd maar kritiseert? De dominee weet ook dat deze jongen een meisje nodig heeft. James vertelde hem dat al op de lagere schoolmeisjes met een grote boog om hem heen liepen.
De stoel zonder spijlen kraakt. De formules rijen zich aaneen in James’ brein. Vaak vormen ze een lange keten die uitloopt op een verrassende oplossing. James zit naar de keten te staren, maar zijn vermoeide geest vermag niet verbanden te leggen. Een hand als een schop dreunt neer op het dunne blad van zijn bureau en blijft steken in het splinterende hout.
Beneden houden de twee bejaarde verhuurders hun hart vast. Ze mogen James graag, maar de laatste tijd doet hij zo vreemd. Luister nu toch … nu gaat hij weer die luide muziek spelen. De oude Poolse staalarbeider wil al naar boven. Het vrouwtje met haar bonte hoofddoek houdt hem tegen. “Music … maybe good for the boy,” zegt ze zacht. “You crazy..and he real crazy,” bromt hij, tegen zijn hoofd tikkend, maar valt toch terug in zijn grote leren televisiestoel.
Boem-boem-boem-boem! Beethoven’s Vijfde. De dood klopt aan. Dan sleurt de dringende melodie de ziel van deze jongen voorbij de sterren, naar het zwarte gat tussen de Galaxy’s waar zieke zielen hun hel binnen wervelen. Nog luider wordt de muziek en dan stampt die jongen daarboven op de vloer, nog eens, en een zware vloek davert naar beneden, zo godslasterlijk, dat beide mensjes een kruis slaan.
“I go help him.” Haar mummelmondje tussen wangen als gerimpelde appeltjes prevelt een “Mary, Mother of God”. Moeizaam klimt ze naar boven. Daar zit hij. Hoekige schouders die schokken. Een grote lieve jongen die zijn verdriet van onvermogen en verlatenheid wegknikt als een klein kind. Ze ziet de verbijsterende leegheid in zijn ogen … zoals ze die vroeger gezien heeft in een Pools concentratiekamp.
Ze denkt aan haar eigen zoon die in de oorlog sneuvelde. “Such a good, good boy he was … big boy,
like this Jamie boy … ”
En dan doet het vrouwtje iets wat een moeder of een meisje lang geleden hadden moeten doen. Ze strijkt de jongen over het borstelige haar dat nooit wil ‘zitten’. Ze duwt zijn hoofd tegen haar gebloemde schort en zit daar totdat zijn lichaam ophoudt te schokken, totdat hij zijn ogen sluit en zich koestert in een warmte die hij nooit voelde. Hij hoort haar zeggen: you boy, you study no longer, you gonna be real sick. Go for trip to old country, that will help.
Als ze vertrokken is buigt James zich naar de oude boekenkast. Tussen twee studieboeken klemt een oud fotoalbum. De reis naar Holland toen hij twaalf jaar was. Met vader en moeder naar Terschelling waar vader geboren is. Hij bekijkt de foto’s aandachtig. Daar staat hij, op het duin achter West Terschelling … daar staat hij met Japke. Hij legt de foto’s weg en peutert aan de splinter in zijn vinger. Hij kijkt naar het gat in de tafel. “You go for a trip to old country!” Maar dat kan toch niet? Zuchtend staat hij op, steekt een sigaret aan, en zoekt zijn physics boek dat op de grond viel…
Twee dagen voor Kerst staat James toch op Schiphol. Het vrouwtje had per telefoon de studenten-dominee gewaarschuwd. “He gonna go crazy, you got to help him!” Hij was direct naar James’ ouders gegaan, had hun ernstig gewaarschuwd dat James recht op een psychiatrische inrichting afzeilde. Vader De Bree dacht dat dat zo’n vaart niet zou lopen. Toen wipte de witte baard van de dominee van een opkomende boosheid. “Wanneer hebt U voor het laatst een goed gesprek met James gehad?” Vader De Bree bromde dat je met James niet meer kon praten, hij wist alles beter en hij had immers God ook nog de rug toegekeerd. Moeder de Bree was meer bezorgd, ofschoon ook zij de volle consequentie van James’ ziekte niet begreep. Het had heel wat voeten in aarde gehad voordat de vader een cheque schreef om James’ reis naar Holland te betalen.
Het was tien jaar geleden dat het hele gezin De Bree een vakantie in Nederland doorbracht. James was twaalf en had zich verwoed op de Nederlandse taal gegooid. In de boekenkast ontdekte hij kleine, dunne boekjes over Terschelling en de stugge, ernstige vader De Bree toonde zich ineens meer toeschietelijk. Voor het eerst in hun leven keken ze broederlijk samen in een boek, en James ontdekte een andere kant aan zijn vader. Yes, als hij wilde kon hij toch nog ergens enthousiast over zijn. Moeder De Bree ziet hen daar zitten…de jongen met zijn vreemd driehoekig gezicht, de flaporen en ver uiteen staande ogen … net zo stroef als zijn vader. Geen kind om nou eens lekker te vertroetelen.
Ze wist dat hij het moeilijk had op school. De jongens lieten hem links liggen. James las boeken op het schoolplein want voetballen kan hij niet. Hij trapte de bal steeds te ver. Soms schaakte hij met een ander stuk geleerdheid uit een lagere klas. Soms kwamen meisjes dat schaakspel verstoren. Ze wipten de stukken van het schaakbord en de lelijke jongen keek verwonderd. Waarom doen ze dat nu? De meester stelde de klas voor dat James hun het schaken zal leren. Oh no, not him!
Eindelijk breekt de vakantie aan. Met de “Terschellingerland” varen ze de haven binnen. James vindt het eiland nog mooier dan vader hem vertelde. Ze logeren bij oom Siebren. Achter de boerderij ligt de Waddenzee. “Tjonge, meid,” zegt tante Griet tegen de moeder, “wat hebben jullie een mooi gezin. Maar waar is James? Die heb ik nog nauwelijks gezien.” Oom Siebren wijst naar de dijk. “Al een echte eilander, geen rust in ‘t gat!”
James heeft zich nooit zo gelukkig gevoeld. Het is zo mooi … zo mooi! In de verte ziet hij de Brandaris. Vannacht zullen de felle lichtkegels zijn slaapkamertje verlichten, zei oom Siebren. Aan de voet van de dijk, over de zware basalt keien, ziet hij een meisje lopen. Jammer, denkt James, hier zijn ook alweer meiden. Het meisje staat stil en zwaait naar hem. In Canada zou James haar genegeerd hebben, hier zwaait hij verlegen terug. Inwendig hoopt hij dat ze zijn rust niet zal verstoren … geen meisjes aan zijn lijf deze vakantie. Het moet mooi blijven!
Maar het meisje komt nader. Ze is bruinverbrand en heeft mooi blond haar. “Ik ben Japke, en jij bent een Canadees die logeert bij onzen buren.” Er is geen spot, geen leedvermaak in haar stem. Hij probeert langs haar heen te kijken, maar wordt getrokken door een paar ernstige ogen. “Kun jij niet praten, Canadees? Hoe heet je?”
“Ik heten James,” zegt hij verlegen. Japke proest het uit. Zie je wel, denkt James, en meteen staat hij op. “Nou zeg,” zegt Japke, ” jij bent ook gauw op je teentjes getrapt. Ik lach om wat je zegt, niet om jou, gekkerd! Ik ‘heet’ James, had je moeten zeggen, ‘heten’ is voor ‘wij’.
Japke gaat naast hem zitten, trek haar knieën op en vouwt haar handen eromheen. “Wat beteken gekkerd,” vraagt James wantrouwend. Intuïtief voelt het meisje dat ze hem het gekscherende van het woord niet uit moet leggen. “Dat betekent dat jij een erg lieve jongen bent”. Daar krijgt James een kleur van. Hij kan zich niet herinneren dat iemand dat ooit tegen hem zei, zelfs zijn moeder niet.
Daar, op de kruin van de dijk, krijgt James zijn eerste taalles. En daarna zijn die twee onafscheidelijk. Zie je Japke, dan zie je James! Ze fietsen naar West Terschelling of nemen Cupido’s bus. Boven op het hoge duin achter het dorp zitten ze samen in een oude Duitse bunker. Daar eten ze hun sandwiches, zien de middagboot ten zuiden van de Noords vader. James zegt zachtjes voor zich uit: Ik wilde dat I kan blijf hier always. “Altijd”, verbeterd Japke. Kijk hem daar nou es verdrietig zitten. Dat is te veel voor haar moederlijke natuur. Ze strijkt hem over het haar en zegt, “jij hebt vriendelijke ogen, James.” Waarom schreit hij nou, denkt Japke, jongens huilen toch niet?
“Je gaat naar Terschelling, je kunt logeren bij oom Siebren, als je wat meehelpt op de farm,” had vader De Bree gezegd, en zachtjes – voor zich uit- had hij eraan toegevoegd, “ik wou dat ik met je mee kon.” Moeder bedisselde dat hij eerst Oma moest bezoeken in Leeuwarden.
Ineengedoken zit hij in de trein naar Harlingen en staart wezenloos uit het raam waartegen regen zwiept. Het nieuwe van het vliegen had hem even boven zijn depressie uitgetild, maar nu draaien zijn gedachten weer als molenwieken … om en om, hoezeer hij zich ook voorhoudt dat hij nu vrij is van examens en lectoren en het eindeloos studeren van een materie waarvan hij het diepste wezen niet begrijpt. Dat is het ergste! Hij begreep er geen barst meer van. Je kunt formules uit je hoofd leren, maar zelfs in zijn goede dagen zag hij de verbanden niet. Hij begrijpt het niet … physics niet, God niet en het leven niet. Nog minder verstaat hij de tomeloze drang die elke gezonde jongeman in zich voelt opborrelen. De dromen, de dromen waarin zich tartende meisjesgezichten bevinden, maar meisjes die toch hun mooie lichamen aanbieden. De dromen waarin soms een andere vrouwengestalte verschijnt: een lief, bruinverbrand gezicht. In die dromen ziet hij weer de ernstige blauwe ogen Japke die zeggen: jij hebt vriendelijke ogen. Maar dan verdwijnt ze tussen de gestalten van andere meisjes … rotkrengen die de levensstukken van zijn kaart hebben geveegd. Zijn tollende gedachten haken zich vast op het ritme van de treinwielen! Physics … de dominee: hoe kunt U dit rotleven rijmen met de liefde van God? … een oude en jonge vrouw die eens over zijn haar streken … vader: weggegooid geld die reis! … moeder: een verlegen, lege, vlugge kus … Japke: is ze op het eiland, zal hij haar weerzien?
Ik ben doodop, weet hij, doodmoe van het denken.
In Harlingen volgt hij gedachteloos de mensen die naar het loket lopen. Als de “Friesland” langs de Pollendam vaart, staat hij op het dek. Hij herinnert zich de vrolijke boot met vakantiegangers; nu dient ze enkel om plichtsgetrouw een paar eilanders te vervoeren die met Kerst op Terschelling willen zijn.
Buiten de dam begint de boot te slingeren. De ijskoude wind zet aan tot stormkracht. Boemboemboemboem! De steven vreet zich in de ijsschotsen op het openingsthema van Beethovens Vijfde dat zich toer-loos afspeelt in zijn brein. De boot trilt woedend, James trilt van de kou. Misschien zal dit schip zich vastdraaien in het ijs. Boemboemboemboem! Het zal zinken en dan zal het radeloze denken ophouden als zijn laatste luchtbellen naar boven stijgen. Op dat laatste moment zal zijn leven als snelle, helverlichte dia’s voorbijflitsen las hij eens. Hij probeert zich dat in te denken, houdt de adem in, en plotseling verdringen dia’s de maalstroom van zijn denken. Tot zijn grote verbazing is er slechts een foto in de sliert van honderden lichtbeelden die zich razendsnel atollen in zijn brein. Het duin en Japke, Japke, Japke, Japke …
Maar Japke zal hij op het eiland niet ontmoeten … heel secuur weet hij dat! Beneden hem ligt een donker watereiland tussen de grauwe ijsschotsen. Nu is hij leeg, leeg, leeg … van binnen ben ik al dood, weet hij. Niemand zal hem missen als hij nu in het donkere water springt. Voor niemand heeft hij ooit iets betekend. Domme jongens worden geen physicists …
Hoe werkt God? Er laveert een man over het dek met een kop koffie. De eerste stuurman ziet de jongen met zijn voet op de onderste stang van de leuning. “Joh, ga naar binnen, je vriest dood hier.” Met een ruk draait James zich om en de stuurman ziet een verwrongen gezicht. Tjonge, die knaap zal toch niet? … Met zijn lege hand trekt hij de jongen aan de mouw, maar James verzet zich.” “I’m OK,” schreeuwt hij, “I’m used to weather like this in Canada.”
“Nou, dan mot je het zelf maar weten,” schreeuwt de stuurman boven de storm uit.
Terug in het stuurhok, kijkt hij door het zijraampje. De jongen is verdwenen. De koffie plenst over het kompas als hij naar buiten rent. Hij roest de trap af naar de voorkajuit, en slaakt een zucht van verlichting als hij de jongen ziet zitten. Even later is hij terug in het stuurhok. “Wat had je nou op je heupen,” zegt de kapitein korzelig. “Oh, een akkevietje … wist je dat we een Canadees aan boord hebben? Dat moet of een Cupido, een de Jong, of een de Bree zijn.” “Vroeger zat er een Simon de Bree bij mij in de klas,” zegt de kapitein, ” is het een kerel van mijn leeftijd?” “Nee, nee … een jonge knul,” zegt de stuurman. “Misschien zijn zoon,” bromt de kapitein.
Even later duikt de kapitein in zijn jekker en bromt: ‘k zal zelf me koffie wel halen, hou het kreng in de geul. Ook kapiteins kunnen nieuwsgierig zijn. Het zijn ook mannen van gezag! Als hij voor James staat klinkt zijn “Wie ben jij?” haast als een bevel. Zo van: de waarheid, of ik donder je overboord. James kijkt verrast op. Vader had gezegd: als de mensen willen weten wie je bent dan zeg je maar: Jacob van Simon van Jaap de Bree, and they will know.
De kapitein kan er niet over uit. De zoon van zijn beste vriend Simon. Hoe is het nou mogelijk. Krachtig snuit hij zijn emotie weg in een hagelwitte zakdoek. Hagel klettert tegen de patrijspoorten als de kapitein in zijn beste Engels vertelt van vroeger. Hij weet niet dat de jongen niet luistert, niet kan luisteren. Maar dan schuift er toch een deurtje open in het brein van de jongen. Het deurtje van interesse. Hij hoort de kapitein vertellen dat vader het ook lang niet gemakkelijk had als een jonge vent. Graag wilde hij leren, want hij was altijd de beste leerling in de klas, maar er was geen geld voor een school op de vaste wal, laat staan voor een universiteit. Het beeld van een andere vader verbleekt het beeld van een General Motors fabrieks-voorman, die na het geraas van de machines alleen geïnteresseerd is in zijn biertje bij de teevee.
Dan schiet hij bijna met zijn hoofd tegen de pet van de kapitein. Een geweldige schok, en de boot ligt stil. “Zijn we er al?” vraagt James. “Ben je betoeterd … een vloek … we zitten vast in het zand naast de geul.” De kapitein rent naar boven. James volgt hem met nog enige andere passagiers. Hij staat bij het stuurhok en de kapitein wenkt hem naar binnen. “We’ll have to wait for high water,” zegt hij.
James gaat met de andere passagiers terug naar de kajuit. In benarde situaties zoals deze komt het gemakkelijker tot een gesprek, waarin de eilanders ook de grote, onbehouwen jongen betrekken. Als hij vertelt dat hij uit Canada komt en bij Siebren de Bree gaat logeren, wordt hij zelfs het middelpunt van het gesprek. James merkt dat hij rustiger wordt vanbinnen. Deze mensen zijn zo hartelijk, zo belangstellend. Hij kan zelfs glimlachen als een oud kereltje naar zijn handen als schoppen wijst en zegt: joe werk hard hee, in Canada …
Zal hij het durven? Deze eilanders weten allicht of Japke nog op het eiland is. Dan hoort hij ineens haar naam noemen. Ingespannen luistert hij naar een conversatie tussen twee vrouwen. Het is Japke voor en na. Hij begrijpt dat ze morgen in de kerk het Kerstverhaal aan de Zondagsschoolkinderen zal vertellen.
Verlegen mengt hij zich in hun gesprek. “Is that Japke die woont besides oom Siebren?” “Ja, ja, ken je haar dan?” Nieuwsgierig buigen de vrouwen zich naar hem toe. Vrouwelijke intuïtie vermoedt dat er wat aan de hand is tussen die jongen en een de onderwijzeres aan de Christelijke School. Maar James laat niets los …
Als de “Friesland” ‘s avonds laat in de haven bijdraait, ziet James oom Siebren op de kade ijsberen. Die zal de pest in hebben omdat de boot te laat is, denkt James. Maar oom begroet hem hartelijk. “Tjonge, tjonge, wat ben jij een grote kerel geworden.” Een heel andere man dan vader, denkt James. Als hij met oom naar de auto loopt, draait hij zich nog even om om afscheid te nemen van de boot, waar hij zoveel hartelijkheid ontmoette. Oom Siebren volgt zijn blik en James merkt helemaal niet dat er een wijze glimlach om diens mond speelt.
Bij het kaartenkantoortje maakt zich een meisje uit de schaduw los. Een jonge vrouw met een sjaal om haar blonde haren. De lange jongen in zijn vreemde jekker met een soort monnikskap blijft als aan de grond genageld staan, alsof hij een visioen ziet. Het meisje loopt nu vlugger, rent dan op hem af. Drie passen van hem af staat ze stil en zegt: ik heten Japke … heten is voor ‘wij’.
Dan vliegt ze op hem af en een paar sterke armen lichten haar bijna van de gele klinkers. Ze voelt zijn lichaam heftig schokken, net als tien jaar geleden, maar deze keer verwondert ze zich niet dat een jongen ook kan huilen. Ze hoort zijn zachte, schorre stem fluisteren. “Japke, Japke, Japke.” Ze trekt die gekke monnikskap terug en legt haar mond bij zijn oor. “Alles wordt nu goed, James, ik ben bij je, alles wordt nu goed.” Dan laat ook zij haar tranen de vrije loop.
Even later lopen ze hand in hand langs het “Wakend Oog” en de lichtbundels van de “Brandaris” dragen hen op tot de Heer. Op de kade loopt een verblufte oom Siebren naar zijn kleine auto. Hij denkt: die knaap komt zonder auto ook wel thuis, bovendien hij had zich ook op moeten vouwen… Lachend schopt hij tegen de achterband.
Leave a Reply