Verhalen

Herman de Jong

Het Weer Slaat Om

Vaak ging ik nu in de kerk het orgel bespelen. Dat deed ik liever dan studeren. Het eindexamen zou ik toch wel niet halen, zelfs al gooide ik me op mijn studie. Het repeteren van vier jaar leerstof uit onbekende studieboeken was een onmogelijke zaak … dat had ik nu wel bekeken! Waarom gebruikten ze op alle Kweekscholen niet dezelfde boeken? Voor Plant en Dierkunde zou ik zeker zakken. In Groningen had ik wekenlang gewerkt om prachtige schema’s op te zetten van alle plant en diersoorten. In een vlaag van woede had ik ze in de kachel gegooid. 

Ik zocht mijn troost bij het orgel. Ik zat vaak te improviseren want er was geen orgel-leraar die me nu achter de broek zat. Ik vond een stapel orgelliteratuur naast de orgelbank. De directeur scheen van Jan Zwart en Feike Asma te houden. Deze componisten waren nieuw voor me, want ze telden niet mee in de kunstzinnige oren van mijn orgelleraar. Ik kon de meeste stukken bijna op het eerste gezicht spelen en al gauw merkte ik hoe gevoelig ze de psalmen en gezangen bewerkt hadden. Als ik Psalm 103 speelde die Jan Zwart gecomponeerd had voor de begrafenis van Abraham Kuyper liepen de rillingen me over de rug en nooit eindigde ik dat stuk zonder tranen in mijn ogen te hebben. Ook de bewerking over Psalm 42 van Feike Asma maakte een diepe indruk op me, want ook ik hijgde als een hert naar de frisse waterstromen. Ik had al maanden niet meer in mijn Bijbeltje gelezen…nu las ik die psalmen er weer op na …  

De kleine directeur was de enige die wist dat ik door een diepe depressie ging. Waarom hadden vader en moeder daar nooit aan gedacht? Ook dominees en jeugdouderlingen die mijn pad kruisten spraken nooit over mijn sombere, broedende manier van leven. Maar ik moet de schuld niet bij anderen zoeken. Vertelde ik ze ooit over mijn slapeloosheid, de zware band die om mijn hoofd klemde, de dwanggedachten in mijn hoofd die mij aan niets anders lieten denken? Dat had ik zelfs de directeur niet verteld. Toch wist hij het. Jaren later zou iemand me vertellen dat zijn vrouw aan dezelfde ziekte leed …

Ik bevroedde dat de directeur met de leraren gesproken had. Ze zonderden me niet af als een leerling die extra aandacht nodig had, maar ik kon merken dat ze hun best deden me het zo goed mogelijk naar de zin te maken. Ik was naar Meneer Bokma gegaan om mijn excuses aan te bieden, maar voor ik dat kon doen zei hij, “zand erover, Jan, ik had dit anders aan moeten pakken … eigenlijk probeerde ik wat grappig te wezen en dat gaat mij altijd slecht af.”

  De directeur stuurde me ook naar een dokter. Ik vond dat vreemd want ik was immers niet ziek. Aan de vragen die dokter de Vries mij stelde merkte ik wel dat de directeur hem had ingelicht. Tijdens die doktersvisite bleef ik tamelijk gesloten. Ik paste er wel voor op hem al mijn moeilijkheden uit te leggen. Ik zag wel dat hij eigenlijk niet wist hoe hij me moest behandelen … Pas toen hij voorstelde dat ik eens met een psychiater moest praten, spitste ik mijn oren. Een psychiater!  “Ik ben toch niet op weg gek te worden,” vroeg ik wat spottend en voegde eraan toe dat ik alleen maar wat verdrietig was om wat er in de laatste maanden gebeurd was. Hij keek me peinzend aan, alsof hij me uitnodigde meer te zeggen. Toen ik dat niet deed en ging staan alsof ik de visite wilde beëindigen, zei hij heel ernstig: Jan, ik ken je nog maar net. Je hebt hier een half uur gezeten … en ik heb je niet beter leren kennen … maar er is iets in je doen en laten waar ik geen raad mee weet. De directeur heeft me een beetje over jou verteld. Ook dat je verkering uit raakte! Misschien schiet ik nu ver naast de roos … heeft dat meisje het uitgemaakt omdat ook zij geen raad wist met je donkere buien?” Ik zei zachtjes: ja, dat was een van haar redenen. “Een psychiater kan jou helpen,” zei dokter de Vries, “denk er maar een poosje over na … verder mag je van mij twee weken lang geen studieboek aanraken … en elke dag een eind wandelen of fietsen. Over twee weken wil ik je graag weer zien.”     

Ik ben niet naar die dokter teruggegaan. Ook ging ik niet naar een psychiater, want vier weken later kwam er meer ruimte in de kronkelingen van mijn hersenen. Maandenlang was ik elke nacht om het half uur wakker geworden, rookte een paar sigaretten en probeerde dan weer te slapen. Nu kon ik weer de hele nacht slapen. Wel werd ik vaak om zes uur ‘s morgens wakker … dan ging ik eerst een eind lopen door het nog zeer stille Dokkum. Op mijn gemak bekeek ik dan de geveltjes van de huizen, en vooral de wapens en opschriften vond ik erg interessant. Het was alsof de zware band die mijn hoofd perste langzaam leegliep.

Tegen de raad van de dokter in bleef ik studeren en ook hervatte ik de moeilijke Trio Sonates van Bach, waar ik mee bezig was net voor ik naar Dokkum kwam. Met steeds langere tussenpozen dacht ik aan Mieke. Ik zat daar eerst erg over in want ik wilde haar altijd voor de geest houden. Hoe kon ik haar zo vlug vergeten? Soms kon ik me zelfs haar gezicht niet precies herinneren …

Ik voelde me steeds rustiger worden. De vrolijke Jannekeke was een beter medicijn dan een dokter of psychiater me ooit konden geven. Mijn zusje Janneke!

Elke Zaterdag toog ik naar het boerderijtje. De Zaterdagen in Oktober waren ongewoon mooi geweest, maar in November sloeg het weer om. Het regende bijna elke dag en als ik Zaterdags naar de dijk fietste woei er vaak zo’n harde wind dat ik op de trappers moest staan om vooruit te komen. De eerste Zaterdag in November was ik drijfnat toen ik het boerderijtje naderde … Janneke stond al klaar met een oude overal van haar vader. In de schuur kleedde ik me om en Janneke hing mijn kleren te drogen rondom het berookte keukenfornuis. Janneke keek verdrietig toen we aan de keukentafel onze eerste kop koffiedronken.  Over het keukenzeiltje greep ik haar hand. “Wat is er toch, zusje?” Ik zag haar lippen beven. “Ik ben bang dat je nu weg zult blijven,” zei ze zacht, “met zulk weer kun je toch niet elke Zaterdag die lange reis heen en terug maken. Straks gaat het ook nog sneeuwen.”

Ik slikte iets weg uit mijn keel. Waar had ik dit aan verdiend dat ze me elke Zaterdag weer wilde zien? Ik was toch echt niet zo’n prettige gast geweest die eerste Zaterdagen. Mismoedig … neerslachtig … verdrietig! Maar nooit was dat op haar overgeslagen. Ze bleef vrolijk, ging niet bij de pakken neerzitten zoals ik, deed steeds weer haar best de donkere wolk over mijn hoofd te verjagen. Het was de eerste keer dat ik haar verdrietig zag!

Ik kneep haar hand en zei plagend, “Ja meid, zo is het leven nu eenmaal, aan alle goede dingen komt een eind, ik had ook niet verwacht dat ik steeds tegen zo’n harde wind in moet trappen en dan die regen … Brrr! Enfin, als het lente wordt kan ik misschien nog een paar keer komen, we zullen wel zien!” 

 Ze staarde naar haar kom met koffie, roerde er langzaam in. Zoals ze daar een beetje ingedoken zat, leek ze ineens veel ouder. Met beide handen bracht ze de kom halverwege naar haar mond en blies er in. “Ik zou het heel jammer vinden als je niet meer kwam, want ik zit de hele week naar je uit te kijken. Jij hebt de hele week mensen om je heen, maar ik moet het maar met schapen doen.” Ineens kregen haar ogen een hoopvolle glans. “Als ik je nu eens zo’n mooie gele regenjas ging kopen?”

Ik had willen lachen, maar ze zei het zo ernstig, zo lief, dat ik even moest slikken. “Ik plaagde je maar een beetje hoor,” zei ik, “en zo’n jas kopen, dat had ik deze week al willen doen, maar het bleef erbij. Ik blijf komen hoor, ik zou niet weten wat ik anders Zaterdags uit moest vreten.”

Ik zag haar gezicht opklaren. “Echt Jan.… blijf je echt komen?” Ze zei het gretig, als een kind dat een mooi verjaardagscadeautje kreeg. “Echt,” lachte ik, “maar in Juni zal er toch een eind aan moeten komen, want dan moet ik mijn eindexamen doen en daarna moet ik in militaire dienst.”         

Janneke sprong op, trok me bij mijn haren omhoog uit mijn stoel. “Dat zien we dan wel weer,” herhaalde ze mijn eigen woorden.

Ze haalde het schaakbord uit haar slaapkamer. Toen ze terugkwam zei ik, “leg dat ding toch boven op de keukenkast, dat is toch veel gemakkelijker? We zullen nu wel elke Zaterdag een paar partijtjes moeten spelen om de tijd door te komen.”  “Ben je gek joh, als vader thuiskomt zou hij het direct zien.” “Dus je hebt je vader niet verteld dat je elke Zaterdag visite krijgt?” “Heeft hij niets mee te maken,” zei ze luchtig.    

Even later zaten we ingespannen te schaken. Ik had haar nog maar drie keer getoond hoe ze de stukken moest verzetten en wat de bedoeling van het spel was. Ze had me verteld dat ze door de week tegen zichzelf schaakte om het nog vlugger te leren. Het zou niet lang meer duren of ze zou elk spel van me winnen. Hoe hield zo’n intelligent meisje het uit in deze eenzaamheid!

 Ze deed een slechte zet … ze zat gewoonweg te dromen.

  -Jan?

  -Je moet opletten!

  -Schoolmeester! … Hoe vaak krijgen soldaten verlof?

  -Ik denk dat ze per maand een weekend naar huis mogen.

  -Zijn ze Zaterdags vrij, net als mensen die werken?

  -Dat dacht ik haast wel…wat wil je nou, spelen of praten!

  -Spelen en praten, dat kan toch best?

  -Kan ik mijn gedachten er niet bij houden, jouw zet! Nee, nee, zus, zo kan ik immers je koningin pakken.

  -Wou je nog koffie?

  -Eerst het spel afmaken, dan koffie. Nog twee zetten en ik heb je schaakmat!

  -Gelukkig … kunnen we tenminste praten. Kom, we gaan in de nette kamer zitten.

Het was bar koud in de ‘nette’ kamer. Waar was het niet koud in dit tochtig voorhuis? We keerden al gauw terug naar de keuken en gingen weer op onze oude plaatsjes aan de keukentafel zitten. Voor het keukenraam dat uitkeek over de weilanden was genoeg ruimte om een zitje te maken. “Waarom slepen we de leunstoelen van de nette kamer niet naar de keuken,” zei ik. Maar dat wilde ze beslist niet. “Nee hoor, dan moeten we ze elke middag weer terugslepen en bovendien, de nette kamer was moeders trots, al die mooie meubels kwamen uit Brabant, nee hoor … die kamer moet blijven zoals het is. Toen ik een heel klein meisje was zat moeder daar vaak alleen om haar rozenkransje te bidden. Ik keek wel eens door het sleutelgat en dan zag ik haar huilen. Ik denk dat ze heel erg heimwee had naar Brabant.”

Zo bleven we aan de keukentafel zitten. Als ik opstond reikte ik bijna met mijn hoofd de balken van de zolder. Boven die zolder lag het hooi voor de schapen en de ene koe. Hier en daar zag je sprieten hooi door de groen geverfde planken steken. De schouw was betegeld met wit-blauwe tegeltjes, maar alleen aan de uiterst rand zag je de figuurtjes op de tegels, de rest was bedekt met een laag vuil en roet. Ik maakte daar een opmerking over, want Janneke deed heel erg haar best om het huis schoon te houden. “Ik kan dat eeuwenoude vuil er niet meer afschrobben, moeder had daar al moeite mee,” zei Janneke, “maar wat geeft het ook, jij bent de enige die het opmerkt, vader ziet zulke dingen niet…”

“Je hebt me wel over je moeder vertelt, maar ik hoor je nooit over je vader. Wat is je vader voor een man, Janneke?”  Vlug streek ze een paar rimpels in het zeiltje glad, stutte toen haar hoofdje in de palmen van haar handen en zei, “waarom zou ik je van vader vertellen, je zult hem toch nooit ontmoeten.” 

Ze haalde twee bordjes uit de kast. Ze wreef ze extra schoon met de mouw van haar overal. Had ze wel andere kleren? Ik kende haar niet anders dan in die vaak gewassen verschoten overal. “Eerst eten, joh, het is bijna twaalf uur. De kruidenier heeft leverpastei meegenomen, dat lust jij immers zo graag?” Ze gooide me een blikopener toe. Het leek ook wel nieuw. “Hier Jan, ik weet niet hoe dat ding werkt!”

Zelfs onder het eten bleven we praten. Ik behoefde heus niet de schoolmeester uit te hangen want ze was beter op de hoogte met het wereldgebeuren dan ik. De kruidenier bracht haar elke week een stapel kranten mee, een Rooms-Katholiek weekblad en de Zaterdag Elsevier. Ze scheen al die kranten gretig te verslinden. “Joh,” zei ze dan, “hoe kun je dit nu niet weten, je gaat toch naar school!” Om twee uur klaarde het weer op. Nu was ook mijn overjas droog en we maakten een lange wandeling op de dijk. Janneke had een wollen sjaal om haar hoofd en had een jas aangetrokken die nog van haar moeder geweest moest zijn. Ze leek nu een oud vrouwtje … ik zag haar liever in haar overal. Er ging een golf van medelijden door me heen, niet alleen omdat ze haar moeder moest missen, maar ook omdat ze klaarblijkelijk geen geld had om iets leuks te kopen. Waarom hield haar vader haar zo strak? Hij moest toch genoeg verdienen in de Noordoostpolder? Ach, na zeven weken wist ik eigenlijk heel weinig van haar omstandigheden. Het was alsof er maar twee mensen op de wereld bestonden, Janneke en ik …

SHARE THIS:

Comments

Leave a Reply

Use this reply form for easy communication with Henry de Jong. Replies are only made public, as Comments, when they are of general interest. Other greetings, corrections, questions and remarks will be privately and gratefully received and acted on, with any further communication continuing in private.

Your email address will not be published. Required fields are marked *

Thank you for visiting Middledom.