Zomaar op een voorjaarsdag ligt het land daar weer te glunderen. De wind is nog kil, de nachttemperatuur omtrent nul, maar de zon wint aan sterkte en droogt het aarde mooi op. Wijdbeens staan de boeren achter hun schuren, waarin ze een lange winter koeien, varkens en landbouwwerktuigen verzorgden. Rustig en uiterlijk onbewogen staan ze daar, de handen in de ruime zakken van hun overalls, en diep in hun lichamen borrelt de werktitel omhoog. Morgen, overmorgen, volgende week, dan is het weer zo ver: ploegen, eggen, zaaien! Want daar, onder de warmende zon, liggen de landerijen als schone grijze leien weer te glunderen. En in de grond de mysterieuze scheppingskracht dat het zaad doet kiemen. Beter dan de wetenschapsmens, beter dan de theoloog, doorgrondt de boer het scheppingsverhaal. God sprak en het was er. Elk jaar weer een nieuwe schepping. Zo liggen de gezaaide velden nog in vele tinten bruin, zo veranderden ze in golvende zeeën van lichtgroen gewas. In een dag laat het zaad het tere begin van de halm door. God laat niet varen het werk zijner handen…
Fred Talinga. Jonge boer. Drie jaar geleden kocht hij de boerderij. Varkens en 150 acres rollend land, de lage velden gedraineerd. Groot en vierkant, staat hij voor het keukenraam de vreugde buiten te aanschouwen. Het was een lange winter. Een winter met bloknoot en een stompje potlood. Reeksen cijfers en aanmaningen van de bank …
Jane heeft haar vrolijke jonge vent in twee winters zien veranderen in een ernstige, altijd zorgelijk‑kijkende jongeman. Er is geen opbeuren meer aan. Ze zitten zo zwaar, zo zwaar! Soms denkt ze aan vader die vroeger ook als een sombere, dreigende wolk de vrolijkheid in moeders keuken (met de nog uit Holland meegenomen rood‑wit geblokte gordijntjes) verdreef. Zitten, roken en staren. Wrokken tegen de bankdirecteur, de regering … en de stadsmens die er geen snars van begreep. En alle zorgen, alle moeilijkheden maar in zich oppotten totdat eindelijk het deksel er afvloog, en hij of in een zware depressie geraakte, of zich met een schreeuwend hart tot de Heer wendde. Dan ging het weer een tijdlang goed …
Fred is net zoals vader. Maar vader had tenminste zijn spul goedkoop kunnen kopen in een malaise tijd waarin menige Canadese boer naar de fabriek vertrok. Fred’s jaarlijkse hypotheek is nog groter dan de koopsom van vaders boerderij, bedenkt Jane. Hoe komen ze er ooit bovenop met de varkensprijzen zo laag? Hoe lang nog zal Fred als een stom geslagene elke morgen haar keuken binnen komen zeilen? Ze zucht…
Met een ruk draait Fred zich om. Voor het eerst in weken ziet ze hem weer jong en veerkrachtig. “Ik ga met de nieuwe tractor naar het ‘achterveld’, ik heb echt zin om hem uit te proberen,” zegt hij toch nog wat bruusk. “Hadden we nooit moeten kopen, die tractor,” zucht Jane. Die tractor is het onderwerp van hun echtelijk steekspel geweest deze winter. Het achterveld? “Pas maar op dat je niet met de tractor in dat drassige stuk raakt,” zegt Jane. “Ja hoor, meid, maak je maar geen zorgen.” Speels trekt hij haar uit de stoel en zoent haar stevig op de wang. “Je mag je wel eens scheren,” moppert Jane lachend, toch blij met zijn hernieuwde levenslust.
De tractor zoemt langs de voren. FM stereo in de cabine. Fred houdt de deuren gesloten, de wind is nog koud. Handig scheert hij de machine langs de uiterste rand van het ven waar nog water staat. Even zet hij de tractor in de vrijloop, en stapt naar buiten. Zijn rubberlaarzen zuigen zich vast in de modder. Ja zeker Jane, hier moet ik niet in verzeild raken. Hij neemt een slok koffie als hij weer in de cabine zit en tuft verder. Behendig draait hij het grote beest, dat zoemt als een bij aan een bloem, om. Terug maar weer. Door de voorruit ziet hij een lange witte sliert, achtergelaten door een vliegtuig. Misschien richting Europa.
“Ga toch es naar Nederland,” had vader gezegd, “wij zorgen wel voor de varkens.” Mooipraten. Net of zo’n reis niets kost. Weten vader en moeder dat Jane tweedehandse kleren koopt? Weten ze dat ze al twee jaar lang de kerk niet hebben kunnen steunen?
Fred raakt aan het mijmeren. Haast automatisch houdt hij de tractor precies bij de voor. Special voor de ploegdagen heeft hij een paar pakjes sigaretten gekocht, want sjekkies draai je niet gemakkelijk op een tractor. Hij grijpt naar het borstzakje van zijn overal. Leeg, wat deed hij nou toch met dat bijna volle pakje? Hij is bijna bij het ven … nou oppassen. Meteen ziet hij het pakje naast de schakelaar, net binnen bereik. Hij grijpt ernaar, maar verliest haast zijn evenwicht.
Even maar drukt zijn voet wat steviger op het gaspedaal en met een vaart schiet de tractor vooruit, recht op het drassige stuk land aan. Remmen, Fred, remmen! Maar het is al te laat … de tractor zinkt tot de assen in de modder. Even later staat Fred naast de tractor, in zijn hand de Bick vuuraansteker, maar het pakje sigaretten ligt nog binnen. Door de open zijdeur grijpt hij het en staat dan kalm te roken.
Dan … als een opgewonden veer die plotseling wordt vrijgelaten, schiet de woede in hem omhoog. Die tractor, die verrekte tractor komt er wel weer uit en vanmiddag zal hij verder kunnen ploegen. Maar heel dit rotte bestaan! Een Massey‑Ferguson pet zeilt over het geploegde land, gevolgd door het pakje sigaretten. De vuuraansteker belandt tussen de meeuwen die verschrikt een paar meter verder vliegen en dan weer neer strijken.
Een jonge boer die met gebalde vuisten woest op zijn knieën slaat, dan zich opricht en zich door de rug buigend met wilde ogen de hemel afzoekt. Een zware vloek davert over het land en dan doet een ruwe schreeuw de meeuwen jachtig omzwenken. In die vloek, in die schreeuw ligt verborgen al de opgekropte twijfel, zorg en hulpeloosheid van drie volle jaren boer‑zijn in een malaise tijd …
Fred, Fred, Fred!! De stem van zijn moeder, zoals hij die hoorde toen hij als jongen schreeuwend naast zijn vernielde nieuwe fiets stond. “Moet dat nu zo, Fred?” Naast de rupsbanden borrelt het water op en in zijn ziel stijgt een diepe schaamte. Kocht hij de nieuwe tractor niet om toch vooral niet de arme boer te lijken? In alle zorgen en verdrietelijkheden, zocht hij ooit de leiding van God? Had hij vaak niet met een smalende glimlach naar Jane’s innig bidden om uitkomst geluisterd? Nou … hoe doet God dat verdorrie, komen er drieduizend dollardjes uit de hemel vallen als de zoveelste aanmaning om een banklening te betalen in de brievenbus ligt? Zoals vroeger het manna uit de hemel viel?
Fred zoekt zijn pet, zijn pakje sigaretten. Hij loopt wat verder over het geploegde land waar de rode vuuraansteker ligt. Maar plotseling voelt hij dat dit niet belangrijk is. Hij valt op zijn knieën en buigend als een Mohammedaan zoeken zijn handen de rulle grond…hij bidt …
En de boer, DIE boer, hij ploegde voort …
Leave a Reply