Ik had mijn dorpsgenoot Jan Koning beloofd dat ik, zodra ik in Canada arriveerde zijn enige dochter die in het St. Margaret Ziekenhuis in Toronto lag te bezoeken. Zelf was hij te oud geworden de lange reis te maken. Het is een van de nare consequenties van emigreren, dat men, als het leven ten einde spoedt, in sommige gevallen geen troost kan ontvangen van een familielid. Soms komt het sterven van ouders in Nederland onverwachts … soms zijn een vader en moeder in Nederland te oud of te hulpbehoevend om een kind in Canada in het laatste levensuur nabij te staan …
Wat was ze blij met mijn bezoek. Behalve de ziekenhuis predikant en haar eigen dominee kwam er niemand. De grote ogen onder het gebreide mutsje keken me strak aan. Ze streek het laken glad over de puntige knieën. Het verschrompelde lichaampje kreunde en uitgeput hoestte ze in een papiertje. Al die tijd verloren haar ogen mij niet. “Het is net of ik u al een hele poos ken,” zei ze, zo zachtjes dat ik me naar haar toe moest buigen, “Pa heeft zo vaak over u geschreven. Hoe is het met hem, hij kan niet meer komen, he?”
Nee, Jan Koning kon niet meer komen. Ik vertelde haar maar niet over haar vaders hijgend bestaan. Na vier stappen lopen, moest hij alweer gaan zitten om op adem te komen. Vaatvernauwing … zijn benen waren blauwzwart. Ik had hem leren kennen omdat onze stadstuintjes aan elkaar grensden. De vorige lente had ik zijn stukje grond nog omgespit omdat hij het zelf niet meer kon. Deze zomer had ik een nieuwe buurman gekregen. Jan Koning was af.
Ik bracht het gesprek op het stadstuintjes waar ik haar vader had leren kennen en waarvan we beiden zo lang genoten hadden. “Net buiten de stad, he,” fluisterde ze, ” bij de Bedumer spoorweg, ‘k ben er vroeger wel geweest. Mooi he, al die weilanden daar en de zwaluwen die over de sloten scheren. Pa kon daar zo lang naar kijken, en dan leunde hij op zijn schoffel. Dan vergat hij voor een ogenblik de baas waar hij voor zwoegde. O, hij haatte die baas toch zo. Als moeder mijn jasje moest keren, of als ik niet met een schoolreisje mee kon omdat er geen geld was, vervloekte hij die baas die hem jaar in jaar uit voor een hongerloontje liet werken. Pa was een echte communist, en ik kon nooit begrijpen dat U, een gereformeerde meneer, wat met hem nodig wilde hebben.” Toen kwamen de tranen …
Zo ziek, en toch nog een stortvloed van woorden. Zo gaat het als je nooit bezoek krijgt. Opgekropte gedachten die als water uit een bron omhoog borrelen als er eindelijk eens iemand komt. Het lichaam stil alsof het al gestorven was, te moe en afgemat om mee te schreien.
Door natte ogen staarde ze naar me, alsof ze naast me haar vader zag, leunend op zijn schoffel. Een vuur vretende communist, die naast zijn werkgever en de regering ook Canada vervloekt had toen zijn enige dochter als oorlogsbruidje afreisde. “Als ze me weer wil zien, mot ze hier maar komen, ik verrek het om haar in dat rot land te bezoeken.” Hoe vaak had ik dat niet gehoord? Later was hij milder geworden in zijn oordeel over kerk, staat en maatschappij. Eigenlijk kon hij het moeilijk verkroppen dat een niet-communistisch regering hem voorzag van een behoorlijk pensioen. Toen zijn vrouw stierf begon hij steeds meer over Hilda te praten. Gedurende de laatste jaren dat we naast elkaar werkten in onze tuintjes had hij me steeds Hilda’s brieven laten lezen. De opgewekte brieven van mijn eigen kinderen staken daar fel tegen af…
De Canadese soldaat waar Hilda mee trouwde had haar tien jaar later voor een andere vrouw verlaten. Hilda zette het kleine ‘variety’ winkeltje alleen voort. Haar vaste klanten vonden dat dapper en bleven komen. Door haar postbode, een emotionele emigrant uit Zeeland die het niet kon vinden in de traditionele kerken die de Nederlanders uit Holland hadden meegesleept en zo verzeild raakte in een “Pentecostal Church” werd Hilda bekeerd. Als zoveel nieuwe christenen moest ze van haar Verlosser spreken. Dat werd haar klanten, die als de meeste Canadezen prat gingen op hun geloofsanonimiteit, wel een beetje te bar, en het winkeltje ging daarna snel berg-afwaarts. Ondertussen vrat de kanker in haar lichaam door, maar ze wilde zich niet laten onderzoeken, want de Heer die haar ziel genas zou ook bij machte zijn haar lichaam te genezen. Toen ik dat in een van haar brieven las, had Jan Koning zwaar gevloekt en zo hartgronding afgegeven op die mooie kerk die mensen maar van alles voorgespiegelde, dat ik hem dreigend had aangekeken.
Gedurende een gebedsgenezing had een evangelist zijn klamme hand op haar voorhoofd gelegd en haar lichaam was begonnen te tintelen alsof de Heilige Geest in haar voer. Plotseling wist ze heel zeker dat ze genezen was. Terwijl dankbare halleluja’s door de zaal deinden en armen in vervoering zwaaiden, beloofde Hilda de evangelist dat ze hem op zijn reizen zou vergezellen als een levend getuigenis van de wonderbare genade van de Heilige Geest.
In Boston kwam de pijn terug. In Philadelphia zakte ze op het podium in elkaar. Terwijl de evangelist nieuwe voorhoofden aanraakte, klonk veerweg de claxon van een ambulance, die haar naar het vliegveld bracht. Op eigen kosten terug naar Canada. De dokters probeerden chemotherapie. Ze had zich nog nooit zo beroerd gevoeld. In de oude emigratiekoffer vond ze het mutsje dat een zorgende moeder voordat ze naar Canada vertrok nog voor haar breide…
Ik had zoveel uit haar brieven vernomen dat deze uitgemergelde vrouw helemaal geen vreemde voor mij was.
“En hoe is het nou met mijn Pa,” vroeg ze, nadat ze een hele poos met gesloten ogen gelegen had. “Is hij nog steeds zo tegen de draad in? Hoe komt dat nou toch, meneer Halsema. Ik wilde zo graag dat hij Jezus ook lief kreeg. Ik ben ook wel erg opstandig geweest toen ik niet beter werd, maar Jezus heeft me daar altijd weer overheen geholpen.” Ik zei,” Hilda, jouw vader heeft een leven achter de rug waarin hij steeds weer vertrapt werd. Eerst door zijn eigen vader, later door de bazen waar hij voor werkte. Je moet maar rekenen dat opstandigheid zijn tweede natuur geworden is. Maar hij is de laatste jaren veel milder geworden in zijn oordeel. Ik heb veel met hem over het geloof gesproken, daar aan de Bedumer weg. Ik wilde hem een bijbel geven, maar die wilde hij absoluut niet aannemen. Ik heb de laatste jaren al jouw brieven gelezen, ook over die hele gebedsgenezing geschiedenis. Ik denk dat hij me jouw brieven liet lezen om me te laten zien dat onze God maar een hersenschim is, Iemand waar je niet op kunt vertrouwen. Maar wij weten wel beter he, Hilda?”
“Vest op prinsen geen vertrouwen,” fluisterde ze, “ik heb op mensen vertrouwd, mensen die hun eigen wil doordreven, en niets overlieten aan God. Die dominees hebben nog nooit het versje “Wat God doet dat is welgedaan” gezongen. Ze weten ook helemaal niet dat het licht pas heel mooi wordt als je een poos in de schaduw gelopen hebt. Ik heb al een tijdje niet meer in de Bijbel kunnen lezen. Gelukkig ken ik Psalm 23 uit mijn hoofd…al ging ik ook door de schaduwen des doods … Gij zijt bij mij … ik zal in het huis des Heren verblijven tot in lengte van dagen! Oh, meneer Halsema, wat is dat mooi he?
Ik gaf haar wat te drinken. Ze was zo moe, zo moe, dat ze de kracht niet had het glas met haar hand naar de mond te brengen. Ik hielp haar. Het gebreide mutsje verschoof en heel langzaam kwam haar hand naar haar gezicht. “O, dat mag U niet zien, hoor,” kreunde ze.
Ik zat een poos stil naast haar bed en hield steeds haar hand. Ze lag voor zich uit te staren met opengesperde ogen. De ogen van het vogeltje dat zich te pletter had gevlogen tegen een raam en zich bedreigd voelde in mijn warme hand toen ik het voorzichtig opnam. Waar dacht ze aan? Aan haar vader? Jan Koning is zijn rolstoel, de blauwzwarte benen onder een grijze deken. Ik wist dat ik over drie weken, als we terugkwamen in Nederland, ook hem zou moeten bezoeken in een ziekenhuis. Jan Koning zonder benen. Zou hij die operatie overleven?
“Meneer Halsema?” “Ja, Hilda?” “In mijn kastje naast het bed ligt mijn tas. Daar zit een cadeautje voor vader in. Wilt u dat aan hem geven?” Ze wilde zelf het pakje uit de tas halen. Het ging heel langzaam, maar ik hielp haar er niet bij. Ik wist dat ze met deze zo moeizame handeling haar vader, die ze in dertig jaar niet gezien had, voor het laatst wilde groeten. Ingespannen was ze bezig, maar plotseling keek ze naar de deur. “Och heden, ook dat nog, daar is mijn dominee.” Met een ineens vlugge beweging legde ze het pakje in mijn hand …
De dominee was een opgewekte man. Ik wilde me verwijderen, maar Hilda wenkte dat ik moest blijven. O nee, de dominee had er geen bezwaar tegen dat ik bleef. Zo, zo, een vriend van haar vader in Nederland! Ik bood hem mijn stoel aan, maar hij bleef er wel even bij staan … hij was immers nog een jonge vent! Zijn al te hartelijke lach begon mijn weerzin te kietelen. Hij begon met Hilda te praten en ik begon me overbodig te voelen. Zijn vlugge Engels was moeilijk te verstaan. Eerst spande ik me in zijn redenatie te volgen, maar toen sufte ik weg … voor mij was het ook een inspannende middag geweest.
De dominee boog zich voorover om met grotere intimiteit met zijn gemeentelid te kunnen praten, zich daarbij met beide handen stuttende op het witte laken dat zich ineens strak over het lichaampje spande. Ik zag de pijnlijke uitdrukking op Hilda’s gezicht en maakte vlug het laken dat aan mijn kant tussen het matras was gestopt los. “Oh, sorry,” zei de dominee.
Hoorde ik het goed? Zuster Hilda zou nog kunnen genezen als ze maar dieper en sterker geloofde. Herinnerde ze zich hoe Petrus wegzonk in het water toen hij ineens aan de almacht des Heren begon te twijfelen? Bad ze nog wel dat de kracht van de Heilige Geest in haar terug zou komen?
“Halsema!” Een schorre schreeuw, die ze met haast bovenaardse kracht de ziekenkamer in slingerde. De dominee sprong verschrikt op. Ik liep naar de andere kant van het bed en zonder iets te zeggen duwde ik de jongeman voor me uit naar de deur. Ik vond het jammer dat hij op de gang een lelijk woord zei. Dominees horen dat niet te doen, zelfs niet als ze in benarde omstandigheden verkeren. In mijn beste Engels mocht ik hem nog verkondigen dat zuster Hilda heel wat dichter bij haar Heer vertoefde dan hij. Later had ik daar toch een beetje spijt van. Ik moest nu zo langzamerhand toch weten dat God op duizenden verschillende manieren benaderd wordt.
Ik had mijn Hollandse Bijbeltje bij me en las haar eruit voor. Voordat ik afscheid van haar nam heb ik nog met haar gebeden. “Gek he,” fluisterde ze, “nu besef ik ineens dat ik altijd in een Engelse Bijbel las, maar toch steeds nog in het Nederlands bad. U moet niet vergeten dat pakje aan Pa te geven, hoor, en doe hem de hartelijke groeten. Zeg hem maar dat ik elke dag aan hem denk. Mag ik U een kusje geven voor mijn lieve vader?”
Ik vond het moeilijk de uitgang van het ziekenhuis te vinden…
Ik heb Jan Koning Hilda’s geschenk overhandigd in het bejaardentehuis waar hij naar zijn operatie te wonen kwam. Met hele fijne steekjes had ze Psalm 23 op een beige doek geborduurd. “Wat mot ik daar nou mee,” bromde Jan. “Aan de muur boven je bed hangen,” zei ik wat korzelig, “je kon warempel toch wel een beetje dankbaarder zijn dat je dochter in haar laatste levensjaar bij elk steekje dat ze op dat doek borduurde aan jou gedacht heeft.”
Ik ben Jan Koning tot zijn laatste levensweek blijven bezoeken. Hij zat dan in zijn rolstoel naast het bed. De zusters moesten het zo draaien dat hij het zicht had op Hilda’s geschenkje waar hij soms minutenlang strak naar keek. Op een morgen belde een zuster dat Jan’s nacht in zijn slaap was overleden. Toen ze hem voor hij ging slapen zijn medicijnen had gebracht, wees hij naar de muur boven hem en ze had hem zachtjes horen zeggen, “De Heer is mijn Herder, mij ontbreekt niets … !”
Leave a Reply