Verhalen

Herman de Jong

Een Doorn in het Vlees

Eelke Van Doorn loopt nu alweer sinds 1985 in een paar Braziliaanse schoenen die hij, wijl op visite bij zijn kinderen, in een Canadese schoenenwinkel kocht … Zulks op aanraden van dochter Ietje die haar vader graag netjes wilde zien. Het zijn de enige schoenen die sindsdien Eelke’s waardering hebben, want het smeuïge bovenleer en de doorbuigende rubberzolen hebben zich heerlijk naar zijn voeten gevormd. In een woord: ze zitten lekker, en dat is volgens Eelke het hele eier-eten.

Maar nu, zes jaar later, begint het bovenleer lelijk te worden, en de scheurtjes er in zijn zo diep dat ze water doorlaten, en dat kan natuurlijk niet in een landje waar miezerige motregens zich afwisselen met hevige stortbuien. Daar komt nog bij dat Eelke, gepensioneerd hoofd der school, volgens Ma Van Doorn nog altijd op een heer moet lijken, hetgeen moeilijk wordt als men op aftrappers de stad Groningen doorstookt. Eelke mag Ma er dan op wijzen dat de hondenpoep op de trottoirs geen nette schoenen verdienen, of dat nieuwe schoenen hem zullen beletten lange wandelingen te maken om niet te ‘buikig’ te worden; zulk onzinnig gepraat maakt geen enkel deukje in Ma’s vastberadenheid: hij zal en moet nieuwe schoenen hebben.

Natuurlijk berust Eelke in deze onafwendbare en besliste leiding van boven. Dat heeft hij zijn leven lang gedaan!  Op school de baas, zat hij thuis onder de plak, en nu hij op pensioen is, is het er eerder minder dan beter op geworden. Toch duurt het nog enkele maanden voor Ma hem meekrijgt naar de Herenstraat, waar men de schoenenwinkels vindt die Stad en Ommelanden van schoeisel voorzien.

Ze zijn alle winkels in en uit geweest, maar geen van de schoenen die Eelke aanpast worden goedgekeurd. Steeds laat het leer niet genoeg ruimte voor zijn grote tenen, waarin hoornige nagels een doorn in het vlees zijn geworden. Miljoenen leden van het mannelijk geslacht die de zestig zijn gepasseerd zullen zich de moeilijkheden van onze vriend begrijpen.

Onverrichterzake lopen Eelke en Ma weer naar de bushalte op de Grote Markt. Het is marktdag. Eelke vindt het verdrietig dat Ma hem stevig bij de arm heeft, want nu kan hij alleen maar naar het ijscostalletje kijken. Ma oppert: als we nu eens…en even krijgt Eelke hoop.

Maar Ma heeft de rijdende schoenenwinkel gezien. Er zal wel niets bij wezen, en bovendien, ze kopen nooit op de markt, want volgens Ma is het allemaal rommel. Dat neemt niet weg dat op zijn eigen wandelingen door de stad Eelke al heel wat handige huishoudelijke artikeltjes van de markt meesleepte. Als hij thuis de boodschappentas opendoet komt er spul van Hema of Kloppers tevoorschijn…ja ja!

“Kijk nou toch es, Eelke, zijn dat nu geen prachtige schoenen?”  De koopman is behulpzaam en verkondigt dat die prachtige, handgemaakte schoenen helemaal uit Zuid Amerika komen en hij zal ze voor een zacht prijsje aan meneer en mevrouw kunnen verkopen omdat hij wel ziet dat meneer en mevrouw net als hij ook al op pensioen zijn, maar wat moet hij, hij is voor de tweede keer getrouwd met een lieve, jonge vrouw en voordat we het wisten, meneer en mevrouw, heeft onze Lieve Heer de leiding in handen genomen en ons nog met drie kleine kindertjes bedacht, en dat is de enige reden, U mag me geloven of niet, dat hij nog altijd in de verkoop zit.

 Als hij ‘Zuid-Amerika’ hoort, spitst Eelke zijn oren. Zouden die schoenen misschien in Brazilië gemaakt zijn?  “Wis en waarachtig, meneer,” zegt de koopman met een verheerlijkt gezicht, “u weet waar de schoenlepel hangt. Kijkt U es, meneer, deze buigzame zool is vervaardigd van het fijnste Braziliaanse rubber … die schoenen gaan mee, meneer, als ik u nou vertel dat ik zelf, geloof het of niet, nu al zes jaar op zulke schoenen loop, ongelooflijk meneer, ongelooflijk, en nog kun je aan de zool niet zien dat ik ze dag en nacht, verstaan mij wel, meneer, dag en nacht, de nacht moet u natuurlijk met een korreltje zout nemen (hier knipoogt de koopman olijk) aan gehad heb, niet een jaar, niet twee jaar, maar zeven lange jaren …

Eelke breekt het relaas ongeduldig af. “Maat 42,” zegt hij beslist. “Zou je ze eerst niet passen, Eelke,” zegt Ma, “ze zijn wel goedkoop, maar je moet er jaren mee doen.”  “Nee, nee,” zegt Eelke ongeduldig, alsof hij bang is dat de koopman de prijs zal verhogen, “geen gezeur, maat 42 is maat 42, vooruit, in de boodschappentas er mee.”  “Ik zie wel dat meneer een kenner is,” prijst de koopman,” ik vraag me af waarom het nou altijd die schoen is waar ik duizenden van verkoop, in Leeuwarden staan ze morgen weer in de rij … “

En zo komt Eelke thuis met zijn spiksplinternieuwe Braziliaanse schoenen, ofschoon het land van afkomst nergens op de schoen te lezen staat. Pas dan past hij ze aan … o wee, ze knellen wel wat rondom de tenen, maar met een paar dagen ‘inlopen’ is dat gauw verholpen. Dag na dag maakt hij een fikse wandeling. Elke keer als Eelke weer met een pijnlijk gezicht thuiskomt, zegt Ma lief: even doorzetten kerel, er is geen voet zo gek of er past een schoen aan.

Eelke zet door, totdat hij spijtig moet bekennen dat er absoluut geen rek in het bovenleer zit.

Het werd Zondag. “Zo kan ik niet naar de kerk,” zei Eelke, “waar heb je mijn oude schoenen gelaten?” “Och lieverd, die heb ik in de vuilnisemmer gedaan, ze waren immers zo kapot.”  “Nou, dan ga ik op mijn pantoffels,” zei Eelke lichtelijk vergramd. Hij kijkt naar buiten…het reggend weer, dus dat gaat niet. Bovendien beseft hij zeer wel dat echte Calvinisten nimmer op pantoffels naar de kerk tijgen, daar zijn ze immers te strijdvaardig voor. Dan de nieuwe schoenen maar.

In de kerk keek hij tijdens het orgelspel voor de dienst langs rijen vrolijk-babbelende kerkgangers en dacht: jullie moesten eens weten hoe ik lijd! Hier zit ik … een monnik met erwten in zijn schoenen! Ik zou jullie een revolver tegen de slaap kunnen drukken en nog zouden jullie niet opmerken dat mijn gelaat verwrongen is van hevige pijnen. Maar dat was al te voorbarig gedacht!

Toen de kerk leegstroomde en kerkgangers zonder enige blijk van saamhorigheid zich ijlings uit de voeten maakten om zich in hun auto’s te storten of zich op de fietsen te hijsen, hielden als gewoonlijk een paar oudjes nog nabetrachting in de nu lege kerk.

“Meneer Van Doorn, heb U wat onder leden?” vroeg Moeke Hamstra, “u kijkt zo zielig, en ie lopen ook ja een beetje mank.”

Nu ga je een grote teen niet aan de grote klok hangen en Eelke antwoordde, “een beetje kopiëren, Moeke, maar dat gaat wel weer over.”  Waarop Moeke zei, “gelukkig maar, ik dacht anders al, die man loopt op schoenen die knepen. Want dat is erg hoor, Meneer van Doorn. Mien Piet, och die lieverd is nu al ja weer jaren dood, had ook zo’n last van zien grote tenen, hee! De hoorn van zien nagels groeiden steeds dieper in ‘t vlees. Hij ging wel eens met zien rubberlaarzen die hij in de stal aan had naar de kerk, de bovenstukken mooi verborgen onder zien Zondagse broek. “Ik moet ze de ruimte geven,” zei mijn Piet dan, “anders heb ik ja niks aan de preek.” Ik schaamde mie wel eens, heur, want kerkmensen zeiden vak: “heden, heden, oude Pieter had weer geen tijd om stront laarzen uit te trekken, zo van de stal naar de kerk…”

Om een verdere lawine van woorden te ontkomen, trad Eelke op de dominee toe, die net met zijn fiets uit de consistoriekamer kwam. Aarzelend bleef de dominee naast zijn fiets staan. Nu ging het net zo lekker vlot vanmorgen, en hier komt dat oude mannetje te zeuren over wat ik wel had moeten zeggen en wat ik niet had moeten zeggen. Zijn baardig gezichtje -hij was nog een jongeling- klaarde zienderogen op toen Eelke hem vertelde dat hij hem wel eens minder had horen preken. Als dat uit de mond van een Groninger komt betekent het: eerste prijs.       

“Ik meende op te merken,” zei de dominee, terwijl hij een wasknijper in zijn rechter broekspijp deed, “dat u er wat ongemakkelijk bij zat vanmorgen?”

Eelke zei pijnlijk dat hij een hoorn in het vlees had. “Een doorn in het vlees bedoelt u zeker! Man, kom er mee voor de dag,” fluisterde de dominee, verheugd dat hij zijn ambtsgaven over deze lijdende man uit kon storten. Voor het eerst, want Eelke had hem eens op duidelijke manier verteld dat de kern van een preek niet zat in kernwapens, en zeer geschrokken was de jonge dominee de moed in de schoenen gezonken deze kordate meneer en niet minder kordate mevrouw nog eens te bezoeken.

Eelke vertelde hem over zijn knelpunt. De dominee luisterde aandachtig en zijn fronsend voorhoofd deed vermoeden dat zijn brein zocht naar iets in het verleden waarmee hij deze man kon helpen. Plotseling trokken zijn rimpels weg, en zijn voorhoofd werd weer zo glad als een babykontje. Hij wist het!

“Meneer van Doorn, mijn vader, die professor was aan de V.U. had hetzelfde probleem. Hij ging er mee naar de prof die voettherapie doceerde, ja, ja, ze zijn op de V.U. van alle markten thuis, en die gaf hem de volgende raad …”

Ma deed haar middagdutje. “Ga alleen maar naar de middagdienst,” zei ze, “ik vind het altijd zo’n end lopen. Jij gaat zeker eerst nog een wandeling doen?  Doen hoor, je weet hoe goed het voor je is …”

Toen Ma goed en wel sliep, begaf Eelke zich naar de koelkast. Gelukkig stond er nog een fles karnemelk. “Karnemelk in je schoenen, karnemelk in je sokken, dan twee uur stevig wandelen, en ik garandeer U dat u geen pijn meer zult hebben,” had de dominee gezegd. En zo kreupelde Eelke heen en terug naar de Grote Markt, en wonder boven wonder, toen hij net op tijd de kerk binnenkwam, was de pijn verdwenen. Wel had hij erg koude voeten gekregen, en daarom zocht hij de bank waar hij een verwarmingsbuis wist. Hij zette zijn voeten er op … lekker warm!

Gedurende de preek gingen sommige kerkleden rondom Eelke verzitten. Hier en daar werd gefluisterd. De dominee deed er nog een schepje bovenop, sprak luider en zeer indringend. Deed hij altijd als hij dacht de aandacht van zijn toehoorders te verliezen. Hij kreeg ze wel weer …

Achter Eelke, fluisterde een jongetje zijn moeder in het oor, “Wat stinkt het hier hee Mam … net zure karnemelk!”

Na de dienst bleven veel meer mensen. “Wat was dat nou toch, die nare lucht.” De dominee had een vermoeden. Eelke trok net zijn jas aan, toen de dominee hem aan de mouw trok. “Hoe is ‘t nou met je doorn in het vlees, meneer Van Doorn?” “Helemaal weg, foetsie, verdwenen,” jubelde Eelke (en zoiets doet een Groninger maar twee of drie keer in zijn leven). Toen wist de dominee het, en hij begon te grinniken …

Drie maanden later kregen Eelkes tenen helemaal de ruimte. Langzaam maar zeker verliet het bovenleer de zool…

SHARE THIS:

Comments

Leave a Reply

Use this reply form for easy communication with Henry de Jong. Replies are only made public, as Comments, when they are of general interest. Other greetings, corrections, questions and remarks will be privately and gratefully received and acted on, with any further communication continuing in private.

Your email address will not be published. Required fields are marked *

Thank you for visiting Middledom.