De Here zegene en behoede u … het jongetje gluurde naar de dominee. Eventjes maar! Het was zonde als je onder het bidden je ogen opendeed. Maar misschien gaf het niet zo veel aan het eind van de dienst. Sommige ouderlingen keken dan immers ook door de kerk. Zeker om de mensen te tellen! Dat zag hij best hoor! En een gebed was dit immers niet. De dominee vouwde niet eens zijn handen! Hij deed net als Jezus op de wolken in de kinderbijbel. Dat plaatje van de Hemelvaart waar Hij de wereld zegende. Dat was een heel mooi licht plaatje, een van de mooiste in de hele Bijbel. Misschien omdat hij naar de schone hemel ging. Schoon betekende mooi, zei moeder.
Straks lekker naar huis. ‘t Was Nieuwjaarsmorgen en er zou wel een hele boel visite komen. Die emmers met oliebollen moeten op, had moeder voor kerktijd lachend gezegd. Hij hoopte maar dat Jansje niet meekwam. Dat was zijn nichtje. Moest hij in de gewone kamer met haar spelen, terwijl het ‘grote volk’ in de mooie kamer zat. Dat liep vast weer uit op ‘vader en moedertje’ … Wilde ze hem zoenen. Zo maar op de mond. Een hele lange. Vies hoor! Maar vaders en moeders deden dat elke dag, zei Jansje. Ba, wat ze eraan vonden. Hij wist nu al zeker dat hij nooit zou trouwen. Net als de pastoor van de kerk met het grote kruis. Die trouwden niet omdat kindertjes hen van hun werk afhielden, zei Opa met de sik.
Zijn Opa zonder sik was vorig jaar doodgegaan en ze hadden hem in een kist gestopt, zomaar in de voorkamer van zijn huis. De kist stond op de keukentafel die Vader en Jantje Van Het Eiland naar de mooie kamer hadden gesleept en er lag een pikzwart kleed over – waar ze die vandaan haalden wist hij niet. Die dode opa was lang zo aardig niet als zijn opa met de sik. Hij had altijd zo streng gekeken. Dat kwam van die andere kerk, zei Mam. Daar zongen ze de psalmen zo langzaam en met zoveel versjes, dat ze soms twee uur in de kerk zaten, en nog voelde die Opa zich nooit vergeven … daarom keek hij altijd zo droevig, zei Mams. De Opa die nou dood was had hem eens meegenomen naar die kerk. Toen hij thuiskwam zaten ze al te eten. “Dat is eens, maar nooit weer,” had hij wijs gezegd. “Nou, nou,” zei vader. Maar Mams lachte.
De mouwen van dominees zwarte jurk leken net vleugels. Na elk kort zinnetje bewoog hij zijn armen op en neer, alsof hij zo van de preekstoel af zou vliegen. Misschien wilde de dominee de mensen eraan herinneren dat er engelen door de kerk vlogen. Want de engeltjes waren altijd heel dicht bij je om je te bewaren voor verkeerde dingen, zoals een suikerklontje stelen of heel erg te liegen. Dat had moeder hem verteld.
Zijn eigen engel die ‘s nachts aan het voeteneinde van zijn bed zat, om hem ervoor te bewaren dat hij ‘s nachts niet dood zou gaan net als Opa, of in zijn bed zou plassen, zou daar ook wel vliegen. Je kon ze niet zien, die engelen. Maar vleugels hadden ze wel. Hoe zou zijn engel anders van de slaapkamer naar de kerk kunnen komen? Zijn engel vond het erg fijn als hij heel stil zat en op zijn pepermuntje zoog in plaats het kapot te bijten. Knap! Dan kreeg hij een duw van zijn moeder. Zijn engel gaf hem nooit een duwtje, maar die keek vast heel droevig! Zonde doen, dat was heel erg hoor. Maar als hij elke avond om vergeving bad dan kon hij de volgende morgen weer beginnen met een schone lei, had moeder gezegd. Toen had ze flink van Opa zonder sik op de kop gekregen. Die leefde toen nog. Hij had nog nooit een lei gezien. Misschien was het wel een soort hemd, die moest hij ook elke morgen schoon aan …
De Here doe zijn aanschijn over u lichten … Tussen de haartjes van zijn oogleden zag hij ineens de armen van de dominee heftiger bewegen. Net als de zwarte vleugels van een kraai die op de haven aan een stinkend visje pikte en plotseling opvloog als je eraan kwam rennen. Nou ging de dominee echt vliegen, hoor! Mensen, mensen, daar ging ie! Boven de preekstoel vloog hij! Als hij nou maar niet tegen een engel botste. Of dwars door een engel heen vloog, want die had immers geen lichaam. Maar de engelen bleven hem wel uit de weg, die waren net als vleermuizen, botsten nergens tegen aan. Dat moest wel, want er waren honderd duizenden engelen … alle mensen hadden er immers een! Nou zat de dominee verdikke bijna tegen de muur naast het orgel. Als de organist nou zou gaan spelen zou hij zich vast het apezuur schrikken. Maar aan ‘t zingen waren ze nog niet toe …
En geven u vrede … gelukkig, de dominee zwenkte net op tijd weg. De engelen hadden dat natuurlijk ook wel gezien. Misschien hadden ze hem een duwtje gegeven, want ze wilden natuurlijk niet dat dominee ‘s middags met een buil op zijn hoofd de preekstoel opkwam, met een kletsnatte koude doek om zijn hoofd, net als hijzelf gisteren. Hij was langs de trapleuning naar beneden gegleden en zijn hoofd kwam met een vaart tegen de houten bal onderaan. Dat deed verrotte zeer, maar hij had niet gehuild, want Piet zat in de keuken worteltjes te schrappen en die pestte hem zoals tie huilde.
Amen … ! Hoe kwam de dominee nou zo gauw weer achter de dikke Bijbel? Daar snapte hij niks van. Hij keek omhoog naar vaders gezicht. Die keek of er niets gebeurd was. Hij fluisterde: Zag U hem ook, Pa?
“Zag wie,” zei Pa.
“De dominee natuurlijk!”
“Ach, joh, je ziet ze vliegen,” zei Pa.
Tussen vader en moeder in liep het hij naar huis. Moest grote stappen nemen. Moeder had haast, moest voor de koffie zorgen want er kwam een hele sjees visite. Vader en moeder wilden hem beide een hand geven … Om hem mee te sjorren zeker. Net of tie een heel klein jongetje was. Resoluut stak hij zijn vuistjes in de zakken van zijn jasje. “Lopen jullie maar vooruit, hoor, ik kom wel,” mopperde hij, “ik ben nu groot, hoor!” Vader lachte hard. “Wou je niet op mijn schouder zitten?” Het jongetje schudde krachtig zijn hoofd en spuwde op de grond. Opa met de sik deed dat altijd, dus zou het wel goed zitten. “Foei,” zei moeder, “dat mag je nooit weer doen, hoor.”
Thuis ging hij in de achterkamer lekker nog even met zijn treintje spelen. Jansje zou wel komen, zei moeder, als de zware kerk uitkwam. Hij had dus nog wel even de tijd, want die dominee daar kon z’n draai niet vinden, zei Opa zonder sik. “Verdikke,” zei het jongetje, “daar zie ik nou zo tegen op he! Da’s nog erger dan vaders overhemden strijken.” Waarom moest moeder nu ineens zo lachen?
Voorzichtig schoof hij de schuifdeuren naar de mooie kamer op een kiertje … vader zat al een sigaar te roken. Hij schoof de deur wat verder open. Zo kon de rook ook in de achterkamer komen … het rook zo lekker!
Gestommel in het portaaltje. Ome Derk zei dat hij het weer goed gezegd had. Die ‘hij’ was de dominee zonder ‘t befje, dat wist hij best. Toen zijn andere Opa begraven werd had hij een hele lange jas met puntjes aan, net als de mannen in het hotel op de hoek bij de Haven die borden met lekker eten op een hand droegen.
Jansje moest met hem mee naar de achterkamer. Vlug deed hij de trein in de grote doos … wat wist een meisje nou van treinen. Ga maar dammen, zei moeder. Maar daar had Jansje geen zin aan, die wou natuurlijk weer ‘vader en moedertje’ spelen, net of er geen andere spelletjes in de wereld bestonden. Ik ben wel eventjes gek,” zei hij, “ik zal wel oppassen om met jou te trouwen, nee hoor, dat kan helemaal niet, want twee geloven op een kussen, nou dat weet je best, daar slaapt de duivel tussen … jij gaat immers naar de twee-uurs kerk.” Jansje zei kribbig: Jullie zingen veel te vlug, daar is geen bijhouden aan, en jul’ dominee is ook te licht…en dan die gekke lange jurk! “Och kind,” zei het jongetje, “je ziet ze vliegen.” Toen moest hij ineens weer aan de dominee denken. “En ik word immers dominee, daar kan ik geen vrouw bij ‘ebbe.”
“Jij kan immers niet eens preken,” zei Jansje koel.”Ja wel, hoor.”
“Nietes!”
“Welles.”
“La’ me dan eens zien.”
Daar had het jongetje op gewacht. Hij klom op een stoel en spreidde zijn armpjes. “De genade van onze Here Jezus Christus zij … ”
“Je mot bij ‘et begin beginne, eerst mijn hand schudde, want ik ben jou ouderling,” zeurde Jansje, “en preek maar over het kindje in de kribbe, dat hebben we pas gehad op Zondagschool.”
Moeder bracht kopjes chocola en vier oliebollen. Terwijl Jansje de dikste er uithaalde, zei het jongetje lief, “we spelen kerkje Mams, luister maar.” “Ik heb geen tijd hoor, preek maar fijn door,” zei Mams lachend. Het jongetje klom op een stoel en begon het kerstverhaal. Jansje vouwde haar armen vroom over haar borst. Samen, aan het einde van de preek, zongen ze van de herdertjes die bij nacht in het veld waren.
Toen kwam het grote moment. “De genade van …” Hij deed het net als de dominee met zijn kale schedel. Heftiger bewogen zijn armen. Sprak de woorden nog langzamer. Waarom vloog hij nu niet van de stoel af? Jansje onderbrak hem. “Zeg nou maar amen, anders zitten we hier om vier uur nog.” Teleurgesteld sprong het jongetje van de stoel. Misschien had je een hele zee engelen nodig om je op te lichten. Jansje zou naar de voorkamer gerend zijn. De schuifdeuren open en daar zag het hele gezelschap hem aan het plafond hangen. “Ik speel niet meer,” zei hij tegen zijn nichtje. “Da’ jij niet preken kunt kom omdat je geen zwarte pak aan he,” zei Jansje, “en ik gaan het aan je moe vertellen dat je niet meer met mij wil spelen.” “Moet je eerst gaan huilen,” zei het jongetje, “anders gelooft niemand je.” “Geloven doe je in de kerk,” zei Jansje.
Leave a Reply