Hij is alleen. De dijk ligt besloten in de morgennevel en de schapen die opdoemen staan roerloos, behalve een lam dat hulpbehoevend zachtjes mekkert, onder de vacht van haar moeder duikt om haar tepels te vinden
Hij klimt over de groenbeslagen houten afrastering en het natte groenbeslag kleeft aan zijn broek, ook zijn handen zijn nu groen, en hij veegt ze af aan zijn broekspijpen die toch al besmeurd zijn. Hij hoort het klotsen van golfjes tegen de basaltkeien, waar wier en stukjes hout zich verzamelen in donkergroene en lichte vlekken. Hij zou daar willen lopen, maar weet de keien glibberig, niet te vertrouwen. Hij kon het wier stappen om niet te glijden, maar de vlokken liggen te verspreid. Op de kruin van de dijk dan.
Tegen de middag zal hij om Oost zijn, schat hij, waar hij langs de tractorvoren van de boerderij van neef Kees naar de straatweg zal lopen.
Nieuwe schapen doemen op in de nevel. Sommigen liggen, anderen staan, maar ze stellen geen belang in hem, een angstaanjagende figuur is hij niet blijkbaar. Allengs zal de nevel optrekken en dan wordt het prettiger de twintig-kilometer lange dijk af te lopen. Dit moet hij elke vakantie die hij op het eiland doorbrengt doen, dit lopen langs de dijk. Hij ervaart een onweerstaanbare drang om alleen te zijn in deze wijde wereld van de groene weilanden aan de enen kant en de grijze Waddenzee aan de andere.
Hier is Johannes Cupido alleen met zijn gedachten werd opgeworpen door mensen die hun landerijen wilden beveiligen tegen stormwater.
Vorig jaar nog liep hij hier te neuriën, zich even veilig wetende als het land achter de dijk, geborgen als een boerderij omringt door schaduw gevende bomen, gelukkig dat hij nooit alleen was, zelfs niet op deze verlaten, eenzame dijk. Want naast hem liep de lieve Heer Jezus van zijn jeugd, de oordelende God van zijn jongmens zijn, en de Heilige Geest die hij later smeekte om Vader en Zoon een grotere realiteit te maken in zijn leven, dat even eindeloos leek als de dijk die zich voor hem uitstrekte. Zozeer was hij verworven geweest met de dienst van God, dat hij bij het zien van schapen dacht aan de Goede Herder, en stilstaande bij een zuigend lam zich het Lam dat de zonde der wereld wegneemt had voorgesteld, terwijl de juichende hemel en de zon begoten zee hem deed denken aan Psalm negentien. In zijn dagelijkse drukke leven kwam er nooit veel van dergelijke analogieën te maken, overheersten getallen en bestellingen en orders zijn geest, en probeerde hij, – na jaren te hebben geworsteld zijn hoekigheid en nerveuse energie om te leiden naar een leven waarin de liefde van Jezus daadwerkelijk tot uiting kwam – dwars door de drukte heen toch lief voor zijn gezin en goed voor het personeel van de fabriek te zijn. Maar kwam in een vakantie op het eiland zijn geest tot rust dan had hij immer zijn Godsbelevenis directer kunnen omlijnen door de natuur en de kalme eilandsfeer op zich in te laten werken.
Maar nu liepen de schapen daar zonder een Goede Herder, en het lam zoog gulzig zodat ze het volgend jaar op haar moeder zou gelijken, niet om ter slachting te worden geleid. Nu liep hij alleen naar het einde van de dijk, en de gedachten die hem begeleiden dartelden niet van schaap naar Herder, van lam naar Lam, hij probeerde dat niet eens meer. Volkomen rustig, volkomen een met het eiland, zich plezierig instellend op de lange dijktocht, was hij tevreden meer het leven dat hij nu leidde. Soms hing er een waas van zelfmedelijden in zijn geest, dacht hij met een beetje weemoed terug aan die lange tijd dat het leven zin voor de eeuwigheid had, voelde hij zich een beetje verlaten, maar hij was er nu heel zeker van dat alles wat met God te maken had op vele menselijke vergissingen ruste.
Leave a Reply