Mijn kleinzoon die in Grand Rapids voor dominee studeert, klopte bij me aan. Het is een wat verlegen mannetje en het duurde zo’n klein uurtje voor hij met de bedoeling van zijn bezoek op de proppen kwam. Als hij straks zo gaat preken, krijgt hij wel mensen in de kerk, geloof dat maar.
Hij wilde een ander auto kopen want hij zakte door de vloer van zijn Volkswagen en of ik met hem mee wilde gaan, graag in mijn auto vanwege mijn gewicht. Ik had zo’n fijne intuïtie voor een goed koopje. Ook had hij liever dat ik afdong dan dat hij dat zelf deed. Hij wou naar Gerbrandy’s Used Cars en het zou wel leuk voor mij zijn weer eens wat Hollands met iemand te kunnen praten. Mijn kleinzoon had het goed voor elkaar. Ik hoop niet dat hij straks zijn vrouw de preekstoel opstuurt …
Aangekomen bij het verkoopterrein van den Heer Gerbrandy, merk ik dat Dirk hier al eerder rondneusde. Hij duikt tenminste meteen tussen de auto’s alsof hij in zijn moeders keuken is. Zo dan, die is het eerste uur voor de wereld verloren.
Gelukkig komt daar de heer Gerbrandy naar mij toe waggelen, dikbuikig, op korte pootjes. Een hoofd als een omgekeerde emmer … Stevig verankert op een stierennek. Zijn kleine oogjes zwemmen schichtig als stekelbaarsjes rond in een zee van vet. Waar de buik zijn welving begint hangt een knoert van een gouden horloge, de gouden ketting iets verlengd door een vettig touwtje om deponatie in het vestzakje te vereenvoudigen.
Met uitgebreide worstarmpjes komt hij naar me toe, en ik stap onwillekeurig iets op zij om zijn omhelzing te ontkomen. Trouwens, deze liefkozing had toch niet plaats kunnen hebben. Ofschoon mijn buikje minder prominent is dan die van de Heer Gerbrandy, zouden zijn korte armpjes te kort zijn geweest de gecombineerde breedte van beide buiken te overbruggen. Ik zag ons ook al: buik tegen buik …
Sommige dikke mannen hebben een fijn, hoog stemgeluid. Niet de heer Gerbrandy. Zijn zware stem buldert over het verkoop-terreintje dat zich gewurmd heeft tussen twee grote autozaken, Ford en General Motors. Mijn kleinzoon Dirk duikt verschrikt achter een auto. Gerbrandy is er de man niet naar om iemand beleefd-formeel te groeten. Hij scheen al geroken te hebben dat er een oud-Hollander voor hem staat, want in onvervalst Rotterdammers brult hij dat de snor-Gerbrandy van tijdens de oorlog geen familie van hem is. Blijkbaar is dat de eerste vraag die hem gesteld wordt door klanten van Hollandse afkomst.
Dan stort de lawine van zijn verkooptechniek zich over mij uit. “Ik zeg maar zo, meneer, als keurige mensen zoals u bij Gerbrandy aankloppen, is het gauw gedaan met mijn buren. Ziet uwen daar mensen lopen tussen glimmende nieuwe auto’s? Nee meneer, daar lopen geen mensen, het is daar zo rustig als op een ontluisd hoofd, want ze weten dat ze daar bij de neus worden genomen. Allemaal rotzooi wat daar staat. Ziet u die vlaggetjes wapperen? Gerbrandy heeft geen vlaggetjes nodig, meneer, want bij mij komen de mensen op de auto’s af. Deze Gerbrandy verkoopt in een week meer auto’s dan die twee grote bonzen in een jaar. Ik kwam … ik zag … ik overwon, net als Willem van Oranje uit de Vaderlandse Geschiedenis, weet u nog wel? Ik heb mijn schaapjes op het droge. Ik blijf enkel nog wat verkopen om de mensheid een dienst te bewijzen …
Ik peins me suf. Ik heb die bulderstem, die toch zacht als fluweel kan flemen, eerder gehoord. Achter het groezelige raam van het verkoopkantoortje zie ik een aquarium. Ineens associeer ik deze meneer Gerbrandy met vissen. Nu probeer ik hem in een bepaalde omgeving te plaatsen. Als je vroeger rechercheur geweest bent vergeet je die techniekjes niet zo gauw. Ha ha … ik heb het!
“Haringen, vette harinkjes … ach lieve mensen, daar zie ik die heerlijke vette haringen van een Urker boot zo in mijn rijdende viswinkel glijden! Nieuwe, spiksplinternieuwe visjes … ik krijg er haast tranen van in de ogen … dat ik die visjes nou aan het Groninger publiek mag verkopen … wie ben ik, dat ik dat mag doen!”
Ik kan het haast niet geloven. Deze Gerbrandy is een en dezelfde als Broertje van Scheveningen, die Zaterdags om precies vier uur de Grote Markt van Groningen op kwam razen met zijn rijdende viswinkel en zich niets aantrok van gemeentelijke vergunningen en staangelden. Eerst maakte wij hem procesverbaaltjes, maar gaven het spoedig op omdat hij toch nooit betaalde. Later joegen we hem gewoon van de Markt, maar dan had hij zijn slag al geslagen, tonnen haringen verkocht hij! De mensen stonden gewoon op hem te wachten. In Leeuwarden en Zwolle ging het eender. We noemden hem het gladde Broertje.
Vlug maakte ik een berekening. Minstens tien jaar lang had hij zonder vergunning visjes verkocht. Zo’n vijfhonderd keer dus. Het staangeld was toen dertig gulden, dus meneer was de stad Groningen 15,000 gulden schuldig, en de andere steden misschien net zo veel. Had ik hem even lekker te pakken! Dirk zou een fijn wagentje voor een zacht prijsje krijgen, reken maar …
“Nou, jonge,” zei ik, “van de visjes naar de auto’s … dat was zeker een hele verandering.” Zijn schichtig dwalende ogen ontmoetten mijn geamuseerde blik en even scheen hij in elkaar te zakken. “Kom even mee naar ‘t kantoortje,” fluisterde hij. Hij zette zich neder in een forse stoel, die hem toch nauwelijks kon bevatten. Boven hem hing een tamelijk ontklede dame, en omdat ik wist dat ik onwillekeurig toch naar haar zou kijken, draaide ik haar om.
“Nou, vertel me eens, Broertje van Scheveningen,” zei ik, “Heb je nou al dat achterstallige staangeld volledig betaald aan de gemeentes Groningen, Zwolle en Leeuwarden?”
Hij begon steeds sneller te ademen. Hij leek op een harinkje dat, uit haar element, naar lucht hapte. Hij stotterde, “nou herken ik u.…u was bij de Recherche in Groningen. Maar meneer, dat is nu al zo’n dertig jaar geleden, zoiets is nou toch wel in de doofpot gestopt?” “Had je gedacht,” zei ik.
Er begon een stemmetje in mij te spreken. “Dat kun jij als christen toch niet doen, oude jonge, het zou immer je reinste chantage wezen.” Ik moest het maar over een andere boeg gooien …
Teder begon ik te praten over mijn kleinzoon die in een Volkswagen reed waarvan het vloertje met ijzerdraad aan de rest van de auto hing. Ik verhaalde hoe hard Dirk moest studeren om dominee te worden en hoe hij financieel worstelde om het hoofd boven water te houden. Hoe hij van week tot week meer ijzerdraad gebruikte om zijn Volkswagen bij elkaar te binden. Nu had hij ook nog verkering gekregen, maar durfde zijn meisje niet met zijn auto te vervoeren. Ook sprak ik over de mooie toekomst die de jongelui wachtte: samen de Heer dienen in Zijn wijngaard …
Ik keek naar buiten en zag dat Dirk steeds maar om een laag sportwagentje heen draaide. Ik bleef doorsijpelen. Bewerkte al de snaren van den heer Gerbrandy’s afgestompt gemoed. Met opzet had ik mijn stoel zo gedraaid dat ik tegen de visjes in het aquarium sprak. Ik besteedde helemaal geen aandacht aan de heer Gerbrandy …
Af en toe hoorde ik hem ‘potverdikke’ fluisteren. Toen hoorde ik niets meer en ik draaide me naar hem toe. Onderuit gezakt in zijn forse stoel zat hij geluidloos te huilen. Ik hoorde hem mompelen: potverdikke … dat er nog zulke jonge mensen zijn!
Dirk opende de deur van het kantoortje, verwonderd waar ik bleef. “Heb je iets gevonden, jongen,” zei ik. Achter me hoorde ik een verwoed gesnuif. Plotseling stond Gerbrandy op en steunde met beide handen op zijn bureau. “Meneer,” zei hij, “onder de bedrijven door zag ik de jonge man naar dat sportwagentje loeren. Da’s nou net een karretje die ik aan niemand kwijt kan.…hij is wat aan de dure kant. Altijd heb ik de mensheid gediend en aan de mensheid verdiend. Maar toen u zo mooi over de wijngaard sprak, dacht ik: morgen houd ik er toch mee op, doe nou maar es een goede daad. Vooruit met de geit … jullie kunnen dat autootje voor $10.00 van dit prachtige ver-koopterrein afrijden!”
Dirk hoorde het relaas met open mond aan, maar had er natuurlijk niets van verstaan. Ik haalde een tien dollarbiljet uit mijn broekzak en Gerbrandy overhandigde Dirk een bosje sleutels.
“Are you going with me to try the car out?” vroeg hij bedeesd. “Ja zeker, kerel, dat was toch de bedoeling?”
Even later vouwde ik me dubbel in het nauwe sportwagentje. Hij reed als een lier. “Rij maar direct door naar huis,” zei ik. Dirk keek me verwonderd aan. “Maar Opa, zei hij, dit ding is toch much too expensive?” “Niet over praten,” zei ik.
Leave a Reply