Verhalen

Herman de Jong

Bramen

Op een dag in het laatst van Augustus maakten Liesbet en ik, Arie, een ritje door het mooie landschap van Drenthe. Onze hond Jasper zat netjes achterin en keek monter uit het raam. Maar toen de rit wat te lang werd begon hij zachtjes te janken. Hij moet er maar even uit, zei Liesbet. Ja, zei ik, het is net een klein kind dat begint te zeuren als de rit langer dan een kwartier duurt. Ja, ja, wij hebben kindertjes gehad hoor. Maar dat zijn nu grote mensen geworden. Ze komen wel eens op bezoek en dan zeggen ze: zo Pa en Moe, hoe gaat het er mee. Wat zeg je dan terug? Prima, prima, heel goed hoor, het kon niet beter. En dat geloven ze dan ook nog. Ach, ze moesten zelf maar eens zo oud worden.

Nou dan, Jasper moest iets kwijt en zo zetten we de auto in een laantje, deden de achterklep van de auto open, en direct sprong Jasper eruit en begon van de ene boom naar de andere te draven alsof hij dacht dat ze elk ogenblik hun bladeren konden verliezen en daarom wat besproeiing nodig hadden.

O, wat was het hier heerlijk rustig. We kuierden eerst een eindje langs de bosrand en toen het veld in. De zon scheen wat flauw en aan de horizon stonden grauwe wolkentorens. Laten me maar niet te ver gaan, zei ik na een kwartiertje. Maar zoals gewoonlijk zag Liesbet geen wolkje aan de lucht. Het zijn vaak de mensen die niet om zich heen kijken die optimistisch zijn.

Kijk nou eens aan. Arie, riep ze verheugd, wat groeien hier mooie bramen. En ja hoor, aan de kant van het pad, in de berm van een halfdroge sloot stonden dichte bramenstruiken met ranken zwaar van zwarte vruchten. Daar moeten we eigenlijk wat van meenemen, zei Liesbet, kunnen we mooi jam van maken.

Net of het zo wezen moest, vond ze in de zak van haar regenjas ook nog een klein boodschappentasje, zo eentje die je heel klein kunt opvouwen. Zo, gelukkig hoefden we de zwarte bramen niet in mijn pet verzamelen.

En zo gingen we helder op aan het plukken. Bij mij vlogen de bramen vliegensvlug in mijn mond, bij Liesbet nog vlugger in het tasje. Als je iets voor niets kunt krijgen, zijn wij Groningers er gauw bij, net als de mensen uit Schotland. Het wordt wel eens gezegd dat Groningers eigenlijk Schotten zijn die vroeger in uitgeholde boomstammen de Noordzee overstaken.

Maar op de duur kreeg ik de aardigheid er af. Mijn handen zaten vol schrammen en elk ogenblik bleef mijn broek vastzitten aan de doornen van de bramenstruiken. Jam van bramen, mopperde ik, is dat nu wel lekker, geef mij maar een dik stuk Edammerkaas op mijn boterham.

Kom hier maar heen, riep Liesbet ergens uit de wildernis, hier na de slootkant zitten prachtige rijpe bramen. Maar denk aan je nieuwe broek met al die doorntjes. Ik keek zorgelijk naar mijn broekspijpen, die vol draadjes en lusjes zaten, alsof ze met de kaasrasp bewerkt waren. Toen liet ik me voorzichtig bij de slootkant naar beneden glijden en zakte direct al tot mijn sokken toe in zwartgrijze modder. En denk ook aan je spiksplinternieuwe schoenen, riep Liesbeth, tien meter verderop.

Ik kon geen braam meer zien, en de ellende leek nog niet voorbij te zijn, want op hetzelfde ogenblik begon het ook nog te onweren. Wat dacht je Arie, riep Liesbet achter de bosjes weg, blijven we droog? Voor ik kon antwoorden, kwam er een zware donderslag en zoals gewoonlijk zou de regen daarop wel eens vlug kunnen volgen. Nou meid, zei ik, als ik het zo bekijk, dan konden we wel es lekker nat worden, let op mijn woorden.

En ja hoor, ik schoot weer midden in de roos. Daar voelden we de eerste druppels al en even later stroomde de regen naar beneden.

Daar zaten we dan op onze hurken, vierhonderd meter van de auto, onder Liesbet’s regenjas. Jasper kwam er aanrennen, en Liesbet schoof hem tussen ons, rukte nog eens de jas naar haar toe, en daar zat ik, zonder bescherming in de gutsende regen. Liesbet’s regenjas was natuurlijk lang niet groot genoeg was om Mij ook nog droog te houden. Ik legde me erbij neer. Zo ben ik nu eenmaal. Kom niet aan mijn hond en mijn vrouw. Ik heb alles voor ze over.

Gelukkig was het maar een korte bui. Toen het weer droog was, stonden we met stijve knieën op en keken elkaar eens aan. Liesbet’s dure permanent was verdwenen, haar haren waren zo plat als een dubbeltje, ze zou morgenvroeg direct wel weer naar de kapster moeten, weer 50 gulden foetsie. Met haar vuurrode wangen leek het net alsof ze een ziekte onder leden had.

Maar naast mij leek ze zo schoon en zuiver als een engeltje. Alleen was er niets engelachtigst aan haar zure gezicht. Ze mopperde: Arie, moest dat nou weer zo, kijk je jasje nou eens, zo nat! En je broek zit vol haken, en je schoenen onder de modder. We hoeven toch ook nooit iets bijzonders te doen, hoe simpel het ook is, of jij ziet er op slag weer uit als een schooier, ik mag een boon worden.

En toen liepen we maar weer terug naar de auto. Ik met de benen een beetje uit elkaar vanwege mijn kletsnatte pijpen, en Jasper met de staart omhoog. De achterklep van de auto open, de hond erin, de plastieken zak met bramen erin, en zo reden we weg. Jasper blafte nog wat, maar ging toen heerlijk liggen. Liesbet zei eerst niets, die moet altijd wat bijkomen als ze mij ervan langs gegeven heeft. Eindelijk zei ze: nou ja, we moeten maar rekenen dat we genoeg bramen geplukt hebben voor vijf potjes Jam. Ze praatte nog een poosje genoeglijk door. Er gaat anders wel veel suiker in hoor, en dan moet mag het niet langer dan vijf minuten koken. Ik knikte verheugd. Ik waardeerde het in Liesbet, dat ze nooit lang boos was.  En toen hoorde ik ineens niets meer van haar referaat, want in het binnen spiegeltje van de auto zag ik achter me de kop van een monster die me over de leuning van de achterbank aankeek; een monster met een vuurrode kop.

Ik zei geen woord meer totdat we thuis waren. Toen reed ik bedaard het straatje naar onze garage op en draaide het sleuteltje van de auto om. Ik legde mijn hand op Liesbet’s arm. Liesbetje, zei ik, nu stappen we bedaard en kalm de auto uit, en kijken eventjes achter in de auto. We houden elkaars hand erbij vast, voor het geval wij morele steun nodig hebben.

We stapten uit en ik deed de achterklep open. Even schreeuwde Liesbet van schrik toen Jasper als een rode bosduivel uit de auto sprong. Op het straatje schudde hij zich uit en een regen van rode bramensap vloog ons om de oren. De kofferruimte was een rode smeerboel van vermorzelde bramen. IK denkt dat de tas omgevallen is, legde ik schoolmeesterachtig aan Liesbet uit, en Jasper, die onrust, liep er natuurlijk doorheen, wentelde zich erin rond, en liep er nog eens doorheen, draaide zich er nog eens lekker in rond … maar kun het hem kwalijk nemen? Zo’n dier weet ook ja van niets.

Het werd nog een drukke avond. Eerst Liesbet onder de does, toen ik, en daarna Jasper ook nog. De reuk van shampoo hing uren door het hele huis. En de volgende dag zat ik neerslachtig op het bankje in de tuin en keek naar mijn schoenen die op het straatje stonden met proppen papier erin, en keek naar de losse bekleding van de kofferruimte die over de waslijn hing. en luisterde naar Liesbet, die al stoffende alweer haar hoogste lied zong. Ik keek naar de klimrozen tegen de garagemuur en die vlijtige liesjes die pronkten in de bloembakjes en dacht: wat is het leven toch mooi. Na elk onweer komt er weer zonneschijn.  Toen hoorde ik Liesbet roepen uit het bovenraam, Joe-oe, Arie, heb je de koffie al klaar? Op een drafje schoot ik de keuken in.

SHARE THIS:

Comments

Leave a Reply

Use this reply form for easy communication with Henry de Jong. Replies are only made public, as Comments, when they are of general interest. Other greetings, corrections, questions and remarks will be privately and gratefully received and acted on, with any further communication continuing in private.

Your email address will not be published. Required fields are marked *

Thank you for visiting Middledom.